Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lene bladschijf, die zulk een stand ton opzichte van de zon inneemt, zal veel minder uitdampen dan een blad, op welks breede kant de zonnestralen op den middag loodrecht of bijna loodrecht neerdalen. Maar door zulk een stand van het blad wordt ook beschutting tegen te folie bestraling op den middag gegeven. De stralen, die 's morgens en 's avonds een verticaal geplaatste bladschijf loodrecht troffen, zijn niet zoo intensief, dat hot chlorophyl erdoor zou kunnen worden vernield, zij hebben integendeel juist de intensiteit, die do chorophijlkorrels bij hun werkzaamheid behoeven. Door deze inrichting wordt dus de functie der bladgroenkorrels niet gehinderd, maar integendeel bevorderd, en men kan in dien zin den verticalen stand der blad vlak ten ook beschouwen als een inrichting ter regeling van de werkzaamheid der chlorophylkorrels.

Na deze uiteenzetting is het begrijpelijk, dat men lage planten met verticaal geplaatste bladschijven nooit aantreft op schaduwrijke plaatsen. In do diepte dor dichte wouden groeien geen lisschen en geen kompasplanten. Deze behooren thuis op rotsachtige, kale bergen en in de boomlooze prairieën, en wanneer het al eens gebeurt, dat het zaad van zulk een plant terecht komt in de schaduw, in het bosch ontkiemt en daar zelfs bladeren ontwikkelt, dan geven de bladeren hun verticalen stand op en draaien en keeren zich zoo lang, tot hun breede kant naar het schaars binnendringende, diffuse licht gekeerd is. \ alt liet licht van boven in door de openingen in de bladerkronen, dan plaatsen de blad schijven zich horizontaal, evenwijdig met den grond; sluiten de kronen der boonien aaneen tot een volkomen gesloten dak, en valt het diffuse licht van ter zijde tusschen de boomstammen binnen, dan buigen en wenden de bladeren zich naar den open kant van 't bosch, en liet maakt bijna den indruk, of zij vol verlangen naar de zonnige vlakte zich keerden, die grenst aan de diepe schaduwen van het woud.

Iets dergelijks kan men trouwens ook waarnemen in elk boschje, waar veel schaduw is en over t algemeen op alle plaatsen, waar planten, die ongelijk van hoogte zijn, boven elkander groeien en waar de bladeren der hoogere een dak vormen boven die der lagere planten. Als het verschillende plantensoorten zijn, kan er geen sprake van wezen, dat de eeue met de andere rekening houdt. Elke soort bemoeit zich enkel met zichzelve en de hoog opgegroeide soorten bekommeren zich niet om het lagere goed, dat onder hun bladeren uit den bodem opschiet. Zijn er daar in de diepte planten, die aan het diffuse licht en de groene, door het bladerdak vallende stralen genoeg hebben, goed; is dat niet het geval, dan moeten die lagere planten in de schaduw te gronde gaan. Anders is het er echter mee gesteld, wanneer de over elkander gelegen bladeren tot één en denzelfden tak. tot één en dezelfde plant behooren, als ze eendrachtig tot heil der geheele plant moeten samenwerken, omdat het geheel slechts Dij harmonische verdeeling van arbeid zich kan handhaven in den strijd om het bestaan. Dan moeten er voorzorgen worden genomen, dat geen blad het andere te veel licht beneemt, dat het een het licht voor het andere niet onderschept, dat nabij elkaar geplaatste bladeren elkander niet zullen hinderen,

Sluiten