Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

veelvuldigst voorkomen, terwijl bladstanden, die bij de andere bovengenoemde reeksen beliooren, slechts zeer zelden worden waargenomen. Dus komt het meest voor die reeks, waarin voor z het getal 2 wordt gelezen. Men heeft liet voordeel, dat de uit dit getal voortvloeiende reeks aanbiedt, zóó verklaard, dat daarmee aan de ééne zijde bladstanden voor den dag komen, waarbij door het kleinst mogelijke getal van bladeren op elke verdieping reeds een gelijkmatige rangschikking ervan wordt bereikt, en aan den anderen kant toch ook weer bladstanden ontstaan, die het mogelijk maken, dat naar zeer verschillende richtingen bladeren van den stengel uitgaan.

De oorzaak, waardoor elke plantensoort geheel onafhankelijk van uitwendige invloeden, 0111 zoo te zeggen onbekend met de omstandigheden, waaraan hare bladeren in de toekomst worden blootgesteld, reeds in den knop de bladeren op bepaalde wijze aanlegt, kan enkel gezocht worden in de speciale gesteldheid van haar protoplasma. Gelijk in de waterige oplossing van een zout kristallen ontstaan, die al naar de gesteldheid van het zout nu eens zesvlakkige, dan drievlakkige hoeken hebben, welker zijvlakken altijd den zelfden vorm bezitten en welker ribben altijd juist dezelfde hoeken maken, zoo ontstaan ook in de groeiende cellen platen en lijsten, begrenzingen en tusschenschotten, waardoor de cel geleed en ingedeeld wordt, en die scheidingen zijn bij de verschillende plantensoorten in stand en vorm en in geometrische verhoudingen niet minder nauwkeurig bepaald dan de vlakken der uit de zoutoplossing zich afscheidende kristallen. Wat echter geldt van den aanleg der enkele cellen, moet ook toepasselijk zijn op een groep van cellen, een weefsellichaam, een groeiende spruit, een stengel met zijn bladeren, ja, op de geheele plant. De plaats, waar aan den omtrek van den stengel een blad wordt aangelegd, hangt zeker niet van het toeval af. maar vindt haar aanwijzing in den moleculairen bouw en de samenstelling van het protoplasma der plantensoort, waartoe het blad behoort; eu als zich de bladeren aan de takken van den eik altijd zoo rangschikken, dat de stand f ontstaat, dan is de bestendigheid van dien bladstand niet meer en niet minder merkwaardig, dan de bestendigheid in de grootte der hoeken aan de ribben van een aluinoctaëder.

Wij moeten er ook op wijzen, dat de geometrische rangschikking der cellen in eenvoudige, gemakkelijk waarneembare, langgerekte weefsels volkomen gelijk is aan de rangschikking der bladeren aan de stengels. Zoo bij voorbeeld nemen bij de haarvormige nerven der grassen de cellen den stand \ in. Men zou nu ook aan een samenhang kunnen denken tusschen de geometrische plaatsing der cellen op den top van een voortgroeienden stengel en den geometrischen stand der bladeren aan denzelfden stengel. Uit elke cel aan den voortgroeienden top van den stengel ontstaat door herhaalde inschuiving van tusschenschotten een groep cellen. Wanneer de stand van deze zich verdeelende cellen geometrisch bepaald is, en als de bij de deeling ontstaande tusschenschotten bij elke plantensoort bepaalde richtingen inslaan, moet de rangschikking der uit de cellen voortkomende en den stengel opbouwende celgroepen eveneens geometrisch bepaald zijn. Aangenomen nu, dat uit elke van deze den stengel opbouwende celgroepen één blad

Sluiten