Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de liet stuifmeel produceerende meeldraden, de groene, in t zonlicht organische stoften bereidende gewone bladeren en nog verschillende andere organen 'van één en dezelfde plant, die alle een eigen taak hebben te vervullen, zoo volkomen op elkaar, dat men ze onder een algemeen begrip samenvat en daarvoor het woord „blad" is gaan gebruiken. Zooals in een bijenkorf de volwassen arbeidsters, de darren en de koningin, in overeenstemming met de door verdeeling van arbeid noodzakelijk geworden verschillende werkzaamheden, verschillend van vorm zijn, zoo vertoonen ook do in de eerste ontwikkelingsstadiën omieenstemmende bladeren van één en dezelfde plant in volwassen toestand, al naar gelang van de hun opgedragen functie, een anderen bouw, en dus komen wij tot het besluit, dat de verscheidenheid der voor hot gedijen en de instandhouding der geheole plant onontbeerlijke werkzaamheden en de daardoor veroorzaakte verdeeling van arbeid bij elke plant de metamorphose harer bladeren bepalen.

Uit het aangevoerde blijkt ook, dat een definitie van wat een blad is zich moet aansluiten bij den eersten trap van ontwikkeling. In zijn vroegste stadium is elk blad een zijdelings geplaatste verhevenheid onder den voortgroeienden top van den stengel, welks weefsel nog druk bezig is door deeling nieuwe cellen te vormen, en het groeit dan op eene, voor elke soort naar tijd en plaats nauwkeurig vastgestelde manier uit die lagen van den stengel naar buiten, die als een mantel liet centrale gedeelte omgeven. De wasdom van het blad is begrensd, en zoo laten in het algemeen „bladeren" zich met het oog op de genoemde kenmerken defmiëeren als in geometrische volgorde, uit de buitenste weefsellagen, onder den voortgroeienden top van den stengel ontspringende, zijwaarts afstaande leden, met een begrensden wasdom.

Bij vele bladeren onderscheidt men duidelijk een vlak uitgespreid, groen, door lichter gekleurde aderen doorsneden gedeelte, de blad schijf, lamina; dan een staafvormigen, vasten drager van do bladschijf, den steel, petiolus, en eindelijk nog dat stuk, dat de verbinding uitmaakt tusschen den bladsteel en het deel van den stengel, waaraan deze is vastgehecht. Bij veel planten is dit laatste stuk verbreed, gootvormig uitgediept, soms ook van een vliezigen rand voorzien, en de stengel wordt dan als hot mes door do sclioodc, door dit dtcl omvat gehouden. Men heeft dan ook dit deel van het blad do blad schee do

of vagina genoemd.

Daar waar het blad afstaat van den stengel, vindt men dikwijls twee uitwasjes, één rechts en één links, aan het gootvormige deel der scheede. Zij hebben meestal de gedaante van vliezige schubjes, zooals do afbeelding van blz. 429 van Deel 1 in Fig. •> te zien geeft; zij zijn menigmaal ook blaasvormig gezwollen, als bij voorbeeld aan den Tulpenboom, zooals de afbeelding van blz. 427 aldaar laat zien, en vallen, als het blad, aan welks voet ze zijn gezeten, volwassen is, dikwijls af, zooals ook met de eerstbedoelden van den Beuk het geval is. Bij andere planten hebben ze den vorm van kleine slippen, zijn groen gekleurd en blijven zoo lang in wezen, als het goheele blad niet den

Sluiten