Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slechts van weinig vaten voorziene en op een kort hvpocotyl lid gezeten zaadlob welven zich over den knop der kiem, omhullen dien soms geheel en al, en vormen er een soort van scheede omheen. Naar beneden zet zich de zaadlob voort in een zak, die het worteltje der kiemplant omsluit. Als nu, door bemiddeling van de op blz. 284 geschetste zuigcellen der zaadlob, de stoffen uit het kiemwit naar de zaadlob, het worteltje en den knop der kiem zijn gevoerd, groeien deze deelen snel in do lengte; het worteltje doorbreekt het zakachtige omhulsel, dringt in den grond en zijn menigte zuigcellen of wortelhaartjes vergroeien met fijne deeltjes aarde; het pluimpje verlengt zich eveneens doch de bladeren dringen buiten de scheedeachtige omhulling der zaadlob naar het licht. De onderste bladeren zijn meestal lagere overgangsbladeren en hebben geen groene bladschijf; de op hen volgende stengel bladeren hebben echter alle lange, groene bladschijven, die als gewone bladeren werken. Het meel van het kiemwit is bij den snellen wasdom van de kiemplant spoedig geheel opgeteerd. Zoodra dat hot geval is, heeft de zaadlob verder geen taak te vervullen; zij verdroogt en gaat te niet; de jonge grasplant echter is nu in staat gesteld, met haar wortels en haar groene bladeren zelfstandig de voor haar verderen groei noodige stoffen voort te brengen.

De derde vorm van zaadlobben komt voor bij zeggen en biezen, bij lischbloem, sneeuwklokjes, narcissen, aloë's en /fusci/ssoorten, bij bloembiezen, bananen en palmen en bij nog vele andere gewassen, die in de afdeeling der Monocotyledonen hun plaats vinden. De kiem is bij al deze planten binnen in hot kiemwit van het zaad gelegen en de uit het hypocotyle lid ontspruitende zaadlob vormt een scheede, dio den op dat lid gezeten knop omhult. De zaadlob is alleen aan haar top voorzien van zuigcellen en staat alleen daar met de cellen van het kiemwit in verbinding. Bij de ontkieming rekt de zaadlob zich in de lengte en schuift het hypocotyle lid met den knop en het worteltje uit het zaad naar buiten. De door het achtergebleven gedeelte van de zaadlob uit het kiemwit opgezogen voorraad voedsel wordt, uit het inwendige van het zaad, naar de naar buiten geschoven kiemplant geleid, door het verlengde gedeelte van de zaadlob. De kiemplant is met behulp van dit haar toegevoerde voedsel in staat gesteld, haar worteltje te doen uitgroeien tot een in den grond dringenden, van wortelharen voorzienen wortel, en de beginselen van bladeren, die in den knop besloten lagen, tot groene bladeren te ontwikkelen. Er komen van dit hier slechts zeer in liet algemeen geschetste proces allerlei modificaties voor, die in hoofdzaak afhankelijk zijn van het verschil in richting en lengte van het uit het zaad naar buiten komend gedeelte der zaadlob.

Hij de op moerassigen grond of zelfs onder water in het slijk ontkiemende Zeggen (Carex), Biezen, (Scirpus) en andere Cypergrassen buigt zich het deel van den zaadlob, dat vooruitgeschoven wordt en zoowel het hypocotyle lid als den knop met het eerste blaadje omsluit, nadat het 't inwendige van het zaad heeft verlaten, naar boven, zooals op ommestaande afbeelding in de F'kj. 14 en 15 wordt aangetoond, terwijl het bij de soorten van de geslachten

Sluiten