Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geval vindt men er vooruitspringende papillen op en verhevenheden, kanten en lijsten, waaraan de in de bloem komende insecten liet stuifmeel af strijken.

Wanneer bij het onderzoek der bloemdeelen minder den stand en de opeenvolging der afzonderlijke leden dan wel de rol, die zij te vervullen hebben, in 't oog wordt gehouden, komt men tot het volgend resultaat.

Onontbeerlijk zijn van alle vormingen, die bij deze soort van bladaclitige organen behooren, alleen die, welke stuifmeel en zaadknoppen vormen. Deze bloemdeelen moeten echter niet enkel gedurende hunne ontwikkeling en in den tijd der bevruchting tegen mogelijke nadeelige, uitwendige invloeden worden beschermd, maar door hun eigenaardige gedaante, alsook door de vorming van bijzondere stoffen, moet de vereeniging van zekere bepaalde stuifmeelcellen met eveneens nauwkeurig aangewezen zaadknoppen worden bereikt; dit proces der vereeniging moet buitendien geschieden op den goeden tijd en de juiste plaats. Om die taak te kunnen vervullen, zijn veelal de bladachtige deelen, welke zaadknoppen en die, welke stuifmeel bereiden, zelf op een zeer bijzondere wijze ingericht, öf er heeft een verdeeling van arbeid plaats, zoo, dat slechts een deel dier bladachtige deelen voor de vorming van zaadknoppen en stuifmeel dient en een ander deel tot bescherming en tot bevordering van de bevruchting.

Bij vele planten zijn bij voorbeeld de vruchtbladen niet alleen de dragers der zaadknoppen, maar ook gelijktijdig hun beschermingsmiddel, terwijl bovendien door hun eigenaardige inrichting liet stuifmeel naar de door hen gedragen zaadknoppen wordt geleid. Hij tal van andere planten heeft daarentegen een verdeeling van arbeid plaats gehad; de zaadknoppen ontspringen als zelfstandige vormingen uit de as, als een krans van bovenste vruchtbladeren, en de lagere vruchtbladeren hebben enkel de taak, ze te omhullen, te beschutten en t stuifmeel voor hen op te nemen, zooals dat bij voorbeeld te zien is bij de bloemen der Primula s. Bij de Amerikaansche Pachysundra, bij de Perzische kruiden van ziltigen grond uit het geslacht Jlulitnocnemis en nog bij verschillende andere planten, produceeren de meeldraden samenhangend stuifmeel, maar zijn tegelijk ook van aanlokkingsmiddelen voorzien voor die insecten, die dit samenhangend stuifmeel van bloem tot bloem dragen en het afstrijken op de stempels. Bij de meeste van die planten, die samenhangende of aaneenklevende stuifmeelkorrels bezitten, zal daarentegen een verdeeling van arbeid optreden; er zijn dan twee, drie en nog meer kransen van bloemdeelen onder het vruchtbeginsel aanwezig; de bovenste dragen helmknoppen en bereiden stuifmeel; de lagerstaande zijn zonder stuifmeel, maar nemen daarentegen de taak der aanlokking van insecten op zich en der bescherming van de stuifmeel dragende meeldraden.

Ue bloembladen zijn, van dit standpunt beschouwd, eigenlijk meeldraden zonder helmknoppen, welke opvatting ook gesteund wordt door het feit, dat zich in de zoogenaamde gevulde bloemen de helmknopdragende meeldraden geregeld in helmknoplooze kroonbladeren veranderen. In de bloemen der Waterlelies is een scherpe grens tusschen meeldraden en kroonbladeren in 't geheel niet aan te wijzen, en men kan daar duidelijk een geleidelijk overgaan

Sluiten