Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

korten tijd met een aaneengesloten tapijt, In de eerste ontwikkelingsperiode zijn de loten nog niet op den grond uitgestrekt; zoo is niet name de as van den stengel, die onmiddellijk boven de hypocotyle as ontspringt, steeds opgericht; spoedig echter nadat een verlenging heeft plaats gehad, buigt de stengel ter zijde, drukt zich tegen den grond of vormt ook wel een naar boven toe convexen boog, om met zijn vrij uiteinde den grond te bereiken. l)e punt is ten slotte altijd weer een weinig overeindstaand en dus hebben de meeste liggende jonge spruiten ongeveer dezen vorm: Naarmate zulk een

stengel langer wordt, drukt zich het achter den voortgroeienden top gelegen stengeldeel tegen den grond aan.

In vele gevallen zijn deze stengels niet geschikt, om zich rechtop te houden. I)e grond, waartegen zij zich aan drukken, is voor hen feitelijk ligplaats en steun, en zoodra hun die wordt ontnomen, worden ze knikkend of hangend, zooals men bij voorbeeld aan Aard beiplan ten, Frayaria, kan zien. als ze. op rotsen groeiende, over den rand van een terras hangen. Dat het echter niet altijd het eigen gewicht is en 't gewicht der bladeren, dat onmiddellijk tot deze „roeiwij ze aanleiding geeft, of met andere woorden, dat de stengels niet onder den last hunner bladeren op den grond zinken, ziet men duidelijk genoeg bij de uitloopers vormende Havikskruiden, bij voorbeeld aan Hieracium pilosella, |het ten onzent algemeen in 't wild groeiende Langharige Havikskruid, dat ook Muizenoor genoemd wordt], welker neerliggende stengels, als men ze afplukt en rechtop zet, volkomen stijf en recht blijven en niet het minste buigen. Wanneer de stengels van de met hartvormige bladeren voorziene Kogelbloem, Globularia cordifolia, of die van de Kruipbrem, Genistn pilosa, over den rand van een rots, op welker vlak terras zij tot nu toe horizontaal groeiden, vooruitschuiven, dan hangen ze niet terstond neer, wat toch liet geval moest zijn, als uitsluitend hun eigen gewicht voor de te kiezen richting beslissend was, maar buigen zich langzamerhand boogvormig om den rand hunner onderlaag en blijven met hun stijve takken zelfs dicht aangedrukt tegen inspringende gedeelten van den rotswand.

Men onderscheidt drie groepen van planten met liggende stengels. De eerste groep omvat alleen overblijvende soorten. De stengels daarvan ontwikkelen jaarlijks eind- en zijspruiten, die alle evenwijdig met den grond verder groeien. Ook de uit hun knoppen ontstaande spruiten zijn weer tegen den bodem gedrukt en herhalen alle de groeiwijze van de moederstengels. De nieuwe loten zijn steeds bebladerd; de oudere verliezen daarentegen de bladeren, zij blijven echter nog jaren lang levenskrachtig en dienen voor den toevoer van vloeibaar voedsel uit den grond. Bij vele tot deze eerste groep behoorende vormen worden de oudere stengeldeelen houtig, blijven dan gewoonlijk zeer lang iu wezen, kunnen ook in omvang toenemen en vertoonen soms talrijke jaarringen, zooals bij voorbeeld de op rotsvlakten in de Hoog Alpen op den giond rustende stammen der liggende of kruipende Wilgen, waarvan op blz. l'.Mi, eene 'afbeelding is gegeven. Dikwijls slaan de zich verlengende stengels over verre uitgestrektheden geen wortels in de onderlaag. \ at men ze aan bij de

Sluiten