is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De jaarlijks in 't begin der vegetatieperiode uit liet onderaardsche stengeldeel te voorschijn komende spruit sterft in den herfst telkens af, en de boven den grond achterblijvende, verdroogde overblijfselen verrotten zoo snel, dat ze in het daarop volgende jaar slechts zeer zelden nog als steunsels voor de nieuw uit den grond opschietende loten kunnen dienen. Die laatste groeien tusschen eenig struikgewas op vochtige weiden of aan den rand van een bosch vrij recht omhoog, worden echter niet houtig, krommen zich ook niet met het boveneind over de steunende takken, ontwikkelen echter, als ze eenmaal een zekere hoogte hebben bereikt, wijd uitstaande, stevige zijtakken en langgesteelde bladeren, die zich tusschen de stijve, droge takken der steunende struiken inschuiven, waardoor dan de geheele plant onbeweegbaar wordt vastgehouden.

Groeit deze Geranium palustre op een weide tusschen lage kruiden, die de plant niet als steunsels kan gebruiken, dan buigt de stengel, naar beneden en de lieele plant komt met de laatste stengelleden vlak op den grond te liggen. De einden der stengelleden zijn knoopig verdikt en er is daar een turgesceerend celweefsel ontstaan, waardoor de jongste stengelleden steeds weer 111 recht opgerichten stand worden gebracht, zoodat ze met de op den grond liggende oudere stengelleden een rechten hoek maken. Door «leze inrichting is het voordeel bereikt, dat de over den grond uitgestrekte stengels, als ze op niet al te grooten afstand een struik aantreffen, die hen zou kunnen dragen, deze dadelijk als steunsel kunnen gebruiken en er zich doorheen kunnen vlechten. Inderdaad ziet men menigmaal planten van Geranium palustre met hun onderste stengelleden op den grond liggen, terwijl de bovenste stengelleden, als ook talrijke zijtakken, in een op de weide staanden struik zijn gevlochten en hun roode bloemen meer dan één meter hoog boven den weidegrond uit de takken van de

tot steun dienende struik naar voren schuiven.

Naar het voorbeeld van Geranium palustre zijn ook nog gevormd enkele andere soorten van hetzelfde geslacht, bij voorbeeld Geranium nodosum en divaricatum, verscheiden soorten van Walstroo, als Galium Mollugo [onder welken naam G. erectum en G. datum saamgevat worden], Galium Apanne, het Kleefkruid, en ook de Besvrucht, Cucubalus bacciferus. Hiertoe behooren ook veel Asperge soorten met wijd uitstaande, korte, stijve spruiten en draad- of naaldvormige phyllocladiën, welker jaarloten een enorme lengte bereiken en zich schuiven tusschen de vorken der boomstammen. In het bijzonder is 111 dit opzicht te noemen do in het gebied der Middellandsche flora veel voorkomende Asparagus acutifolius en de in Klein-Azie inheemsche Asparagus verficiIIatus, welker stengels niet zelden een lengte van drie meter bereiken, tot 111 de kronen van lage eiken opklimmen en zich daar met hun lange, stijve, horizontaal

afstaande vertakkingen doorheen vlechten.

Bij de vlechtende overblijvende planten sluiten zich de rotans aan, die zeldzame, door de fabelachtige lengte hunner bijna overal even dikke stengels beroemde palmen, waarvan op blz. 446 van Deel I sprake was en waarvan hiernevens een door Selleny op Java naar de natuur geteekende soort is afgebeeld. De stengel van alle jonge rotanplanten is recht overeindstaande en zijn