Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vormen der klimmende stengels zijn, is ook de wijze waarop zij met liet tot steun dienende voorwerp in aanraking worden gebracht. Dat alle van de klimmende stengels uitgaande luchtwortels lichtschuw zijn en dat zich dientengevolge hun groeiende toppen wenden naar de rotswanden en naaide kale, zuilvormige boomstammen, in welker buurt de klimmende stengels staan, werd reeds vermeld. Is de afstand tusschen den tot klimmen geschikten stengel en den tot steun dienenden wand niet groot, dan groeien de lichtschuwe hechtwortels zoolang rechtuit, tot ze den muur ontmoeten. Dit is bij klimplanten het meest voorkomend geval. Verschillende Aroideeën en Vijgen soorten en vooral de Klimop, Hedem Heli.c, welker stengels zich tegen den voet van een boomstam of een muur hebben aangelegd, ontwikkelen dicht onder den voortgroeienden top van den stengel hechtwortels, die 11a een korte groeiperiode den wand bereiken en daar dus dat deel van den stengel vasthechten, waarvan ze zijn uitgegaan. Dit alles gaat langzamerhand al verderen verder, en men krijgt den indruk, alsof het uiteinde van den stengel over de onderlaag omhoog kruipt.

Veel ingewikkelder dan deze eenvoudige manier, waarop klimmende stengels bevestigd worden, is liet proces waardoor de tot klimmen gereed zijnde stengels der reeds genoemde zoogenaamde Trompet boom, Teconia radicans, worden vastgehecht. Deze stengels zijn bijzonder lichtschuw. Heeft men de plant voor een met latwerk bekleeden muur geplant, dan keeren de tot klimmen bestemde, krachtig groeiende loten zich af van het licht, sluipen achter het latwerk en leggen zich met die stengelleden, waarop die hechtwortels reeds als kleine hanekammen in aanleg aanwezig zijn, tegen den muur. Nauwelijks met de vaste onderlaag in aanraking gebracht, groeien de bleeke worteltjes van de hanekamachtige opzwellingen tot franjevormige draden uit, die zich uiterst vast aan den muur hechten. Nu verlaat de groeiende stengel den muur niet meer, maar blijft er tegen aan liggen, steeds donkere plekjes onder vooruitspringende steenen, dakpannen en balken opzoekend en zich hier en daar telkens met nieuwe hechtwortels bevestigend.

Het merkwaardigste proces, waardoor de tot klimmen voorbereide loten zich bewegen naar den tot steunsel dienenden muur, wordt echter waargenomen bij verschillende tropische Bigno 11 iaceeën, alle verwant aan Bignunia unguis, waarvan de aan de Kio Negro in Brazilië inheemsche Bignonia argyro-violacea op de volgende bladzij is afgebeeld. Deze plant heeft tweeërlei bladeren. De eene soort is ongedeeld en hun bladschijf wordt bij oudere, dikkere stengels zeer groot; de andere dragen, even als de bladeren van Latherus, aan een steel twee tegenovergestelde blaadjes en eindigen in een door metamorphose uit het eindblaadje ontstaan grijporgaan, dat zich splitst in drie, met spitse, haakvormig gekromde klauwefi bezette punten en verrassend veel gelijkt op den poot van een roofvogel.

De ontwikkeling van dit met klauwen voorzien grijporgaan gaat steeds vooraf aan die der blaadjes, en wel zoo, dat in de allerjongste stadiën de groene blaadjes enkel als miniem kleine schubjes zich voordoen. De in klauwen uitloopende bladeren komen alleen voor bij die stengels, die, 0111 zoo te zeggen, A. Kernf.r vos* Marii.aun, Hot leven der planten. II. 28

Sluiten