Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor als een tweetandige vork, bij voorbeeld bij vele Kaniperfoeliesoorten. Hebben zieli aan de van de spil uitgaande zijtakken in plaats van enkele bloemen weer enkelvoudige bijschermen ontwikkeld, dan spreekt men van een samengesteld bij scherm, cyma composita. Als voorbeeld kan liier dienen de Kardinaalsmuts, Evonymus Europaea, afgebeeld hiernaast in Fig. 1. De bloemstelen kunnen aan zulk een samengesteld bijscherm in drie- of in tweetandige vorken gegroepeerd zijn, en deze vertakking kan zich schier eindeloos herhalen, zooals bij voorbeeld het geval is bij Gypsophila paniculata, een soort van Gaffel steng [bekend als sierplant, doch ten onzent ook wel enkele malen verwilderd aangetroffen |.

Als van twee tegenoverstaande bloemstelen of zijassen van een bijscherm de eene niet tot ontwikkeling komt, de andere daarentegen zeer krachtig wordt en de bloemspil boven het hoofd groeit, dan maakt zij den indruk de hoofdas te zijn, en de spil doet zich voor als zijas. Datzelfde kan zich ook bij do deelen van een samengesteld bijscherm herhalen. Als dat zoo voortgaat, ontstaat die vorm van bijscherm, dien men schicht, cincinnus (ook wel cieinnus) heeft genoemd, waarvan dan weer talrijke wijzigingen kunnen voorkomen. Zijn de bloemstelen van een samengesteld bijscherm zeer verkort en tengevolge daarvan de bloemen dicht opeengedrongen, dan noemt men de bloeiwijze een fascicutus, schijnscherm of bundel, afgebeeld hiernaast in Fig. 3. De Caryophylleeën, Labiaten, Asperi fol ieeën en Cruciferen vertoonen een onuitputtelijke verscheidenheid van cymeuse inflorescentiën.

De centripetale, onbepaalde of botrytische bloei wij zen zijn daaraan te herkennen, dat de knop, op het einde van de bloemspil, de jongste en nieuwste vorming is aan dat stengeldeel, terwijl de aan het benedenste eind van de bloemspil ontspringende bloemstelen te beschouwen zijn als de oudere zijassen. Ziet men van boven op zulk een bloeiwijze neer, of stelt men zich de uitgangspunten der afzonderlijke bloemstelen voor in een horizontale projectie, dan staan de onderste en tegelijk oudste bloemstelen aan den omtrek, de jongste in liet centrum der bloeiwijze. De bloemen aan do oudste bloemstelen ontplooien zich het eerst, die der jongste bloemstelen het laatst, en het bloeien beeft dus in centripetale opeenvolging plaats, van den omtrek naar liet middelpunt toe. De bloemspil is in den regel door een mislukten bloemknop afgesloten, die niet verder tot ontwikkeling komt. In veel gevallen wordt de afsluiting echter door een bladknop gevormd, waaruit later een bebladerd takje ontstaat, zooals dit zeer opvallend bij verschillende Australische myrten uit de afdeeling der Leptospermeeën (Ciillistemon, Metrosidcros, Melnleuca) en ook bij veel Brom el iaceeën, bij voorbeeld Ananassa satica, de Ananas, het geval is.

Men onderscheidt van centripetale bloeiwijzen den tros, racemus, met verlengde bloemspil en duidelijke bloemstelen, afgebeeld op de volgende bladzij in Fig. 1; de aar, spica, eveneens met verlengde bloemspil doch met uiterst korte bloemstelen; het scherm, umbella, met omgekeerd een tot het uiterste verkorte bloemspil en verlengde bloemstelen en het hoofdje, ai/iihiluut, met een zeer verkorte en daarbij verdikte bloemspil en tot het uiterste verkorte bloemstelen.

A. Kerst.u von Maru.aün. Het leYen (lfir planton. II. • > 1

Sluiten