Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

afbeelding van een Pandanus, en wel van Pandanus utilis en op blz. 507 die van een soort van Mangrove- of Wortel boom, welke beide dezen zonderlingen vorm van luchtwortels bezitten. Men treft ze ook nog aan bij vele andere planten uit de tropische luchtstreek, met name bij Palmen, Clusiaceeën en Vijgenboomen. Bij eenige Clusiaceeën zijn de steltwortels dikker dan de door hen gesteunde stam, en bij de langs de zeekust binnen 't bereik van eb en vloed in dichte groepen groeiende, reeds dikwijls genoemd Wortelboomen of Mangroven zijn ze herhaaldelijk vorkvormig vertakt en vormen een woest wirwar van luchtwortels, welks zonderlingheid nog daardoor wordt vergroot, dat de worteltakken en ook de stammen, zoover de vloed reikt, met de schalen en pantsers van allerlei slakken, schelp- en schaaldieren zijn bezet.

De zuilwortels, radices colunmares, komen voort uit horizontaal geplaatste of schuin opstijgende takken van boomen, groeien loodrecht naar beneden, tot ze den grond hebben bereikt, dringen daarin binnen, groeien vast met de aarde en zijn nu tot zuilen geworden, waardoor de ver uitstaande takken van den boom worden gedragen. Zoowel de boomen, welker rechtovereindstaande stammen door plaatwortels worden gesteund, alsook die, welker stammen van steltwortels zijn voorzien, kunnen buitendien ook nog zuilwortels uit hun takken ontwikkelen. Een der schuin omhoog gaande takken van de op blz. 499 op den voorgrond afgebeelde Gomboom ziet men daar door znlk een van onderen dikker geworden zware zuil gestut, en ook de Mangroveboomen op blz. 290 en 507 vertoonen lange, van de horizontale benedenste takken der kroon uitgaande zuilwortels, die zich verder naar beneden schuiven tusschen de steltwortels en in het slib vastgroeien.

Nog niet lang geleden was men van meening, dat deze wortels der Mangroven uit de vruchten, zoolang die nog aan den boom hingen, te voorschijn kwamen en lager en lager voortgroeiend, eindelijk den slijkerigen bodem bereikten. Dat de kiem uit de nog aan de takken hangende vruchten zich naar buiten werkt, is wel juist; maar zij raakt los, op de op blz. 288 beschreven wijze, zoodra ze de lengte van 30 tot 50 centimeter heeft bereikt, en boort, met groote kracht neervallend, haar benedenste, verdikte uiteinde in het slijk. Nooit komt het echter voor dat zulk een kiem tot aan den grond voortgroeit, en het is buiten twijfel, dat de lange uit de kroon tot den grond reikende wortels uit de dwars looponde benedenste takken der Wortelboomen ontspringen, juist als andere zuilwortels.

Van de schommelende, touw- en koordvorinige luchtwortels der Aroïdeeën en andere op boomen levende planten, waarvan sprake was op blz. 448 van Deel I, onderscheiden zich de zuilwortels door hun groot draagvermogen en hun stevigheid, door de aanwezigheid van een eigenaardig steunend weefsel eu een daarmee in overeenstemming zijnden, geheel verschillenden bouw, waarop wij later nog zullen terugkomen.

De grootste ontwikkeling der zuilwortels van alle boomen komt voor bij \ ij g e b o o m soorten, zooals Ficus nitida, Ficus Tsiela en nog vele andere, die onder den naam Indische ^ ijgeboom, Ficus Indica, worden samengevat en

Sluiten