is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maken door de groote nerven. Zoodra dat geschied is, ontstaan dan onmiddellijk vóór de snede op de nerf, die met een calluslaag wordt overtrokken en ook vaak nog van die plek verwijderd, langs liet verloop van de doorgesneden nerf een heele menigte knoppen en daaruit ontwikkelen zich weldra nieuwe planten. Men kan daaruit afleiden, dat deze knopvorniing vooral in verband staat met den door de nerven onderhouden aanvoer van voedingsstoffen. Zonder twijfel zijn hierbij ook nog van belang, de plaats ten opzichte van de uit het callus naar buiten gegroeide wortels en ten opzichte van den voorraad van reservevoedsel en dergelijke verhoudingen.

I it dit alles blijkt, dat tallooze cellen van de opperhuid van het blad uitgangspunten voor nieuwe planten kunnen worden en dat evenzoo uit dieper gelegen cellen van het callus zich knoppen kunnen ontwikkelen. Onverschillig, waar nu de ontwikkeling van den knop op een blad begonnen is, steeds worden op de plaats van ontstaan ook vaatbundels aangelegd, die het stengeltje van den ontstaanden knop met de reeds vroeger ontstane wortels in verbinding stellen; en het duurt niet lang, of van den nieuwen stengel gaan ook groene bladeren uit, die in het licht assimileeren. Het gestekte blad, waar nu een kleine volledige plant op is geplaatst, blijft in de meeste gevallen nog vrij lang friscli en levend, maar eindelijk begint het geel te worden en gaat langzamerhand te niet. Alleen dat gedeelte, waaruit de knoppen en wortels zijn voortgekomen, blijft als een gezwollen deel over en vormt bij sommige soorten, zoo met name bij de Begonia's, een dik, vleezig weefsellichaam, dat bijna het aanzien heeft van een knol.

W at met deze gestekte bladeren tengevolge van de handgrepen der kweekers gebeurt, heeft 1111 en dan in de natuur bij sommige planten spontaan plaats, en wel zonder dat het blad vooraf gescheiden is van den stengel, waartoe het behoort. Bij zeer verschillende plantenfamilies vinden wij soorten, die op hun natuurlijke standplaatsen in de open lucht nu en dan aangetroffen worden met knoppen op de bladeren. Zoo onder de Ivruisbloemige planten: Cardamine sylvatica, Bosch-Veldkers, zoowel als de Pinksterbloem, Cardamine pratensis en ook Cardamine uliginosa; verder Nasturtium officinale, de Gemeene Waterkers, en ook Koripa palustris, Brassica oleracea (do Koolsoorten), en Arabis pumila, een soort van Scheefkelk; dan van de Papavoraceoën: Chelidonium majus, de Stinkende Gouwe; van de Waterlelies, Nymphaea Guianensis; onder de Gesneraceeën, Episcia bicolor en Chirita Sinensis; van de Blaaskruidachtigen, Pinyuicula Backeri; onder de Aroideeën Atherurus ternatns; Orchideeën: Malaxis monophyllos en Malaxis paludosa, de Zachtwortel; Lelieachtigen : FritiHaria, Ornithogalum, Allium, Gagea, en Hyacint/nis, en onder de Amaryl 1 ideeën, Curculif/o en anderen.

I11 veel gevallen groeien de zich in de gedaante van kleine verhevenheden voordoende knoppen dadelijk uit tot jonge plantjes, zooals bij Cardamine uliginosa, afgebeeld op blz. 39 in Fiy. 4 en bij de Noordamerikaansche tot de Saxifrageeën behoorende Tolmieia Meuziesii, hiernaast voorgesteld, of er ontstaan eerst kleine bolletjes, als bij de Looksoorten, Allium, en bij de Keizers-