Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

roepen, doordat men de door de belasting met waterdroppels veroorzaakte trekking, alsook de schudding door regen en wind, nabootst. Als men bij voorbeeld op den middag stijf rechtopstaande bloemstelen van verschillende soorten van Klaverzuring, Oxalis, den steel van een Tulp. Tulipa, de lange stelen van de hoofdjes van Duizelkruid, Doronicum, de bloemdragende stengels van Astrant ia major, van Pinksterbloem, Cardamine praten sis en van Primula cortusoides ombuigt en eenigen tijd in dien stand houdt, of als men ze schudt, heen en weer zwaait of beklopt, treedt al gauw de verandering in de spanning der weefsels in, die ten gevolge heeft, dat deze stelen en stengels zich buigen en dat de vroeger rechtovereindstaande en naar het licht gekeerde bloemen en bloemhoofdjes gaan knikken en naar den grond kijken. Beproeft men de stelen weer te strekken, dan loopt men gevaar, ze te breken. Het duurt altijd eenige uren, tot die stijfheid voorbij is, tot zich de spanningen hebben hersteld, die vóór de aanwending van den mechanischen prikkel aanwezig was en de stelen en stengels dus weer recht worden.

De geschetste velerhande veranderingen in richting en stand der bloembladeren. omwindsel- en schutbladen, bloemstelen en stengels, die plaats hebben onder den invloed van de wisseling van dag en nacht, windstilte en storm, zonneschijn en bedekte lucht, brengen dikwijls in zeer korten tijd groote veranderingen teweeg in het uiterlijk aanzien van het plantenkleed.

Op warme zomerdagen, bij helderen hemel en onbewogen lucht wordt het groen der weide door tallooze, geopende bloemen verlevendigd. De stervormig uitgespreide, alsook de beker- en komvormige bloemen en bloeiwijzen van Anemoon, Boterbloem, Ganzerik, Uentianeeën en Samengesteldbloemigen staan alle wijd open, zoodat de bovenste, helder gekleurde zijde van hun bloemen van verre zichtbaar is. De meeste van hen keeren zich naar de zon, zoodat de kleur van de open bloemkroon te helderder aan den dag komt; vele der bloemen en bloeiwijzen, als bij voorbeeld die van Zonnekruid, Heliantliemum, volgen bepaald de zon en zijn in den vroegen morgen naar het Zuidoosten, op den middag naar het Zuiden en 's namiddags naar het Zuidwesten gekeerd. Tallooze vliegen, bijen, hommels en vlinders gonzen en fladderen om de door de zon beschenen bloemen. De avond valt. De zon is achter de bergen; een koele luchtstroom stort neer in de dalen, en overvloedig valt de dauw op bladeren en bloemen. Het insectenvolk is verstomd, het is in zijn schuilhoeken de nachtrust gaan zoeken, en ook de bloemen schijnen te gaan slapen. De bloembekleedselen plooien zich en sluiten zich aaneen; de bloemhoofdjes gaan dicht; bloemen en bloeiwijzen buigen zich naar den grond, worden hangend en veitoonen den beschouwer de dof getinte buitenvlakte van hun bekleedselen. De weide, druipend van dauw, is den geheelen nacht in een toestand van verstijving, waaruit zij eerst weer door de verwarmende zonnestralen wordt verlost.

Een dergelijke verandering van tooneel doet zich voor, als er slecht weer in aantocht is, als de wind over do weide vaart en van den bewolkten hemel regen op de bloemendragende planten valt. Ook dan hebben de meeste bloemen de aan dreigend gevaar blootgestelde deelen bijtijds onder dak gebracht en

Sluiten