Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het wijfje haar eieren op kan afzetten, opdat de daaruit kruipende rupsjes dadelijk het voor hen passende voedsel zullen vinden; dat vele op boomschors zich inspinnende rupsen het spinsel, waarin ze zich later zullen verpoppen, vermengen met korstmos en brokjes van de schors, opdat hun tijdelijke rustplaats niet zal opgemerkt worden door de insectenetende vogels, en dat de in liet inwendige van harde plantendeelen levende rupsen, vóór de verpopping een aparten uitgang klaar maken voor den later te verwachten, zachten, teèren vlinder, die erdoor zal moeten kruipen.

Nog is te vermelden, dat de rupsen van 1'ronuba yuccasella niet alle zaden van het vruchtbeginsel eten, waarin de vlinder de eieren heeft gelegd. Er bevinden zich in een vruchtbeginsel ongeveer 200 zaadknoppen. Al worden nu ook de helft of zelfs twee derden daarvan opgegeten, dan blijft er toch altijd nog een voldoend aantal onverteerde zaden over, die 11a volkomen rijping kunnen worden uitgestrooid, terwijl zonder tusschenkomst van den vlinder geen enkele kiemkrachtige zaadkorrel zou zijn ontstaan. Ditzelfde geldt waarschijnlijk ook van de andere doosvruchtdragende soorten van het geslacht Yucca, met name voor Yucca brevifolia, waarvan in den laatsten tijd is aangetoond, dat zij tot 1'ronuba synthetica, en van Hesperoyuccu Whipplei, waarvan ontdekt werd, dat zij tot 1'ronuba maculata in dezelfde betrekking staat, als de hier tot voorbeeld genomen Yucca /ilamentoxa tot 1'ronuba yuccasella. Of er, afgezien van de soorten van het geslacht Yucca, die doosvruchten hebben, ook nog bij de bessendragende soorten een symbiose met vlinders- voorkomt, is nog wel niet met zekerheid aangetoond, maar is toch zeer waarschijnlijk, daar aan de bessendragende soorten Yucca aloëfoUa, Treculiana enz. tenminste in luin vaderland, dat Florida, Carolina, Louisiana, Mexico en Texas omvat, in alle volkomen l ijpe vruchten gaatjes en andere sporen werden opgemerkt, die bewijzen, dat er rupsen in waren geweest.

Nog merkwaardiger dan de betrekking tusschen de doosvruchtdragende soorten van het geslacht Yucca en de met hen samenlevende vlinders, is die tusschen de vijgeboomen en bepaalde kleine wespen uit de groep der Chalcidiën. Om daarvan een goed begrip te krijgen, is het vóór alles noodig, den bouw der bloeiwijze, eigen aan de vijgen, te leeren kennen.

Beschouwt men een in de lengte opengesneden vijg, zooals zij door Fi<j. (i op blz. 17!) wordt voorgesteld, dan bespeurt men, dat zij geen enkelvoudig vruchtbeginsel, maar een heele verzameling van vruchtbeginsels bezit, dat zij een uit den vijgeboomtak uitgegroeide, korte, verdikte en uitgeholde zijspruit is, die in haar holte een menigte bloemen en vruchtbeginsels bergt. Zulke zjjspruiten, die van buiten gezien, den vorm van een knots, een peer of een bol vertoonen, zijn dus in werkelijkheid bekers of urnen, uit welker binnenzijde de bloemsteeltjes voortkomen, als laatste vertakkingen van het stengeldeel. De opening van den beker is nauw en wordt nog nauwer door er voor geplaatste kleine, schubvormige blaadjes. De bloemen, die bijna de geheele binnenruimte vullen, zijn tweeërlei, mannelijke en vrouwelijke, meeldraad- en stamperbloemen. Beide zijn zeer eenvoudig gebouwd. Elke meeldraadbloem bestaat uit 1 of 2, zelden

Sluiten