Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit .5 tot <i meeldraden, welke door schuitvormige blaadjes gesteund en op een kort steeltje gedragen worden, zooals op blz. 179 in Fig. 12 te zien is. De meeldraden hebben bij vele soorten, met name bij Ficus pumila den vorm van een lepel, en in de holte van dat lepelvormige dingetje liggen de helmknoppen, zooals op blz. 179 in Fit]. 8 en 9 is aangetoond.

De stamperbloemen vertoonen een eenhokkig vruchtbeginsel met een enkelen zaadknop. De stijl is ter zijde van het vruchtbeginsel geplaatst en wordt afgesloten door een stempel van zeer uiteenloopenden vorm. Aan den voet van het vruchtbeginsel bemerkt men smalle schubbetjes in verschillend aantal, welke worden opgevat als bloemdek en die op blz. 179 in Fig. 7 en 13 zijn afgebeeld. Veel soorten hebben in een en dezelfde urn tweeërlei bloemen, bloemen met een langen stijl en goed ontwikkelden stempel, en bloemen met kortoren stijl en mislukten stempel. De laatste worden, om een reden, waarop wij later zullen terugkomen, ook wel „galbloemen" genoemd en zijn voorgesteld op blz. 179 in Fig. 14.

De verdeeling van mannelijke en vrouwelijke bloemen is bij de verschillende soorten zeer verschillend. In de urnen van Ficus elasticu staan de meeldraaden de stamperbloemen schijnbaar zonder regelmaat door elkander; in die van Ficus immila, afgebeeld op blz. 179 in Fig. (!, neemt men op den bodem der urn alleen stamperbloemen waar, en in de buurt der monding alleen meeldraadbloemen. Deze laatste verdeeling is de meest gewone, maar er bestaat nog een ander groot verschil in het aantal meeldraadbloemen. In de urnen van vele soorten is namelijk de omgeving der opening ruim, in die van andere soorten slechts zeer spaarzaam van meeldraadbloemen voorzien, ja, het komt zelfs voor, dat de meeldraadbloemen in de eene of andere urn volkomen ontbreken, en dat deze enkel stamperbloemen bevat. Hij vele soorten ontwikkelen sommige planten alleen urnen met vrouwelijke bloemen, andere alleen urnen, waarvan de omgeving der monding met mannelijke bloemen is bezet en waarin verder naar beneden uitsluitend stamperbloemen staan.

Het merkwaardigste echter is, dat in de urnen van vele soorten alle of de meeste vrouwelijke bloemen, die onder de meeldraadbloemen voorkomen, in galbloemen zijn veranderd. Dat is bij voorbeeld hot geval met den in Zuid-Europa veel aangeplanten, Gewonen vijg, Ficus carica, waarvan men twee verschillende planten kent, planten met urnen, die alleen vrouwelijke bloemen bevatten, en planten, die in hun urnen aan de monding met meeldraadbloemen, verder naar beneden met galbloemen zijn bezet, zooals op de afbeelding van blz. 179 in Fig. 10 en 11 te zien is. De eerste zijn bekend onder den naam Ficus, de laatste worden Caprificus genoemd.

Nu doet zich allereerst de vraag voor, welke beteekenis de zoogenaamde galbloemen hebben. Zooals de naam reeds aanduidt, ontstaan uit de in galbloemen veranderde vrouwelijke bloemen geen vruchten, maar gal 1 en, 'tgeen op de volgende manier geschiedt. Een kleine wesp uit de vroeger genoemde groep der Chalcidiën, afgebeeld op blz. 179 in Fig 1(5 en 17, die op den in Zuid-Europa gekweekten vijgeboom leeft, en die door de zoölogen Blastophaga

Sluiten