Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

inrichtingen aanwezig waren, die insecten aanlokken, opdat ze het stuifmeel van de eene plant naar de andere zouden overbrengen, en als diezelfde bloemen er tegelijk ook op waren ingericht, de uitgenoodigde en aangelokte gasten af te schrikken van verdere bezoeken. Zulk een tegenspraak komt in de bloemenwereld nooit voor; eerder vertoonen alle inrichtingen, die samenhangen met de overbrenging van stuifmeel, een harmonie, welke ieder nauwkeurig waarnemer van dat verschijnsel met verbazing vervult en bewondering inboezemt.

De poedervormige of meelachtige belegsels, die de bloemen van eenige Orchideeën, vooral van de geslachten Eleanthus en Polyxtuchia bezitten, gelijken oppervlakkig veel op stuifmeel, maar verschillen er inderdaad geheel en al van. Dat poeder bestaat uit een opeenhooping van afzonderlijke, ronde cellen, die losgeraakt zijn van parelsnoervormige reeksen op de opperhuid van jeugdige bloembladeren. Meestal ontstaan de belegsels alleen maar op dat ongepaarde blad der Orchideeënbloem, dat als de onderlip bekend is, en het doet zich dan voor als een met meel gevuld kommetje of bakje. De losse cellen of korreltjes, die eruit zien als meel of stof, bevatten zetmeel, suiker, vet en eitwitachtige verbindingen, vormen dus een uitstekend voedsel en dienen even als de stuifmeelkorrels tot aanlokkings- en genotmiddel voor insecten.

Over 't geheel genomen komen die stof- en meelachtige belegsels op de bloembladeren slechts zelden voor. Des te vaker echter vindt men cellenreeksen en weefsels van cellen, op de opperhuid van bepaalde bloemdeelen, die voor liet ongewapend oog zich voordoen als papillen, haren, wratten, lijsten of andere kleine verhevenheden, tot voedsel dienen voor de insecten, die de bloemen bezoeken, en dus ook als lokmiddelen moeten worden beschouwd. In de bloemen van de Wilde Porselein, Portuhica olcracea, is een ringvormige lijst te vinden, die op hot bolvormig vruchtbeginsel is gezeten en aan welks binnenrand de meeldraden ontspringen, terwijl aan den omtrek de bloembekleedselen staan. Tusschen deze beide gordels ziet men den vleezigen ring zeer dicht bezet met glasheldere papillen, die wel geen honig afscheiden, maar door de kleine insecten, die de bloemen bezoeken, uitgezogen worden 011 soms ook geheel worden opgegeten.

Hetzelfde geldt van de fijne haren, waarvan de helmdraden van Aiiayullix, Guichelheil, van Verlmsnim, Toorts, en van Tnulexcantin zijn voorzien, en die, onder het microscoop beschouwd, saprijke, afzonderlijk gezeten of in rijen gegroepeerde cellen blijken te zijn. Eveneens is het hier gezegde toepasselijk op de haren, die den bodem van liet uitgeholde bloemdekblad in de bloem van de Orchidee ('yjiri/xdiiun bekleeden. Bij vele soorten van het geslacht Li/siniac/ii<t Wederik, is het vruchtbeginsel bezet met kleine wratjes, welker saprijke cellen door de dieren uitgezogen of gegeten worden; en in de bloemen van het Lenteklokje, Lntcojum vemum, vindt men een kussenvonnig, den stijl omgevend lichaam, welks beteekenis dezelfde is als die van bovengenoemde kleine wratjes. Ook veel Orchideeën, vooral uit de geslachten Oihtiitut/lossuni, (hiridiutii en Sfauho[ti'ii, hebben op hun bloenidok vleezige lijsten, kegels en kammen, die in denzelfden zin kunnen worden verklaard.

A. Kkrnkr von Marilaun. Het leven der planten. III. 13

Sluiten