Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blauwe bloemen van Omphaloiles verno, de kleine Ruwbladige door de Duitschers „Gedenkemein" genoemd |en die men ten onzent, waar men ze slechts gekweekt aantreft, Denk-aan-mij zou kunnen noemen] reeds op honderd passen afstands boven het vaalgele, verdorde gras en gebladerte aan den rand van het woud. terwijl ze op een groenen grond, van denzelfden afstand gezien, veel minder duidelijk zouden uitkomen. Hetzelfde geldt van andere op dergelijke standplaatsen groeiende Ruwbladigen zooals van Pulmonaria (nii/ustifvlin, een soort van Longkruid, van Lithospermum purpureo-coenrfeum, een jmede ten onzent niet voorkomend] soort van Parel kruid, en van de [bij ons wèl in 't wild groeiende] Maagdepalm, Vinca minor en de Tweebladige Sterhyacint, Scilla bi folio, en nog verscheiden andere.

Ook op die schaduwrijke plaatsen in het woud, waar zwartbruine humus over een groote uitgestrektheid den grond bedekt, zullen zich andere kleurcontrasten doen gelden, dan op den ondergrond van een met frisch groen bekleeden bodem. Boven dien donkeren grond in de diepte des wouds is de bleeke kleur voldoende van Xeattia niiliis «ris. Vogelnest, van Stofzaad, Monotropa, van Schubwortel, Latliniea xipiaiiKirici, en andere parasieten en saprophyten, woeker- en rottingsplanten, om op een afstand te kunnen worden gezien. Op een groene weidevlakte zouden deze planton nauwelijks bespeurd worden.

De zoölogen beweren, dat de dieren, vooral die, welke op de bloemen aanvliegen, om er honig en stuifmeel in te zamelen, een hoog ontwikkeld gevoel voor kleuren bezitten; dat de bezoeken, die aan de bloemen worden gebracht door bijen, hommels, vlinders, vliegen en kevers, werkelijk afhankelijk zijn van de kleuren der bloemen; dat bepaalde dieren aan bepaalde kleuren de voorkeur geven, en dat er voor bepaalde insecten zeer beslist behagelijke en onbehagelijke kleuren bestaan. De lievelingskleur van de honigbij bij voorbeeld is violetkleurig blauw; ook zuiver blauw en paars werken nog bekorend; geel wordt minder gezocht, maar wordt toch ook niet vermeden; tegenover groen gedragen zich de bijen onverschillig; rood wordt daarentegen door hen vermeden en is de „onlustkleur" der bijen.

De botanici zijn bij hunne onderzoekingen over de betrekkingen tusschen bloemen en insecten in hoofdzaak tot dergelijke resultaten gekomen. Wat in het bijzonder blauw en violet aangaat, is het volkomen juist, dat die bloemkleuren voor hommels en bijen, met name voor de honigbij, als uitstekende lokmiddelen optreden, wat des te merkwaardiger is, daar, zooals reeds vroeger werd gezegd, blauwe bloemen niet juist het veclvuldigst voorkomen. Wat rood aangaat, kunnen wij het door de zoölogen erlangde resultaat slechts met een zeker voorbehoud bevestigen. Bloemen met purperrood en karmijnrood, alsook met alle verdere tinten tot violet toe, worden zeer graag door de honigbij bezocht; en dus kunnen alleen scharlakenrood, vermiljoen rood en dc verdere opvolgende tinten tot oranje toe als onbehagelijke kleuren voor do bijen worden beschouwd.

Op een perk in een tuin was een groep Peluryoniuui zonale geplant, de zoo

Sluiten