is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kende landingsplaatsen zijn en steunpunten bij 't binnenkomen in de honighoudende ruimte.

Bij de heerlijke Orchidee Phalaenopsis Schïlleriana, welker bloem op blz. 266in Fig. 1 is afgebeeld, vertoont de sierlijk uitgesneden vlakke onderlip dicht bij den voet een verhevenheid, die den vorm heeft van een stoeltje en werkelijk als zitplaats dient van de op de bloemen af komende vliegen. Achter dat zitbankje ziet men de stempelzuil, welker top door den helmknop wordt ingenomen, en die iets lager een uitholling, de holte van den stempel vertoont. In die stempelholte, welker binnenwand met honig is overtrokken, leidt een rondachtige opening, die men zou kunnen vergelijken met een geopend vensterluik, en aan den bovenrand van dit venster ziet men het zoogenaamde ros te llum, als een driehoekig puntje, of liever gezegd, als het snaveltje van een vogel, in de vensteropening uitsteken, zooals Fig. 2 laat zien. Als een vlieg den honig uit de stempelholte wil oplikken, zet ze op het zitbankje zich neer en steekt den kop in het vensterluik, zooals in Fi</. 5 is afgebeeld. Daarbij raakt ze de uiterst kleverige punt van het rostrilum aan, die dadelijk vastkleeft aan het bovengedeelte van den kop. Zoodra de vlieg na genoten maaltijd haar zitplaats verlaat, trekt zij de beide met het rostellum verbonden pollinariën of stuifmeelklompjes uit den helmknop, en haar kop is nu versierd met twee gesteelde, gele kogeltjes, zooals in Fig. (i te zien is. De vlieg zoekt daarop een andere bloem op en gaat daar weer zitten op het rustplaatsje der onderlip. In den korten tijd, die zij hiervoor behoeft, buigen zich de stelen der beide bolvormige pollinariën als een zwanehals naar voren en naar beneden, (zie de afbeelding in Fig. 7), en als nu de vlieg haar kop weer in het vensterluikje steekt, worden daarbij tevens de pollinariën in de stempelholte gestoken, (zie Fig. 8), waar ze aan den binnenwand blijven kleven.

Zeer in 't oog vallend zijn ook de steunpunten, die voor de er op aan vliegende insecten gevonden worden op de onderlip van Ophrys comuta en van de |ten' onzent veelvuldig voorkomende] Galeopsis tetrahit, Gewone Hennep netel, en andere soorten van dit geslacht, zooals ook de in Fig. 5. op blz. 2<>4 afgebeelde Grootbloemige Hennepnetel, Galeopsis grandiflora. De onderlip van de eene heeft twee vooruitspringende holle kegeltjes, die aan de geheele bloem een gehoornd aanzien geven, zooals de afbeelding hiernaast in Fig. 2 laat zien; die der laatste vertoont twee tandjes, die van binnen hol zijn (zie Fig. 5). Hij de bloemen van de algemeen bekende Leeuwebek, Antirrhinum, en van de daarmee verwante talrijke soorten van 't geslacht Vlasbek, Linaria, staan op de onderlip twee in t oog vallende knobbels als plaatsen, waarop de insecten kunnen aanvliegen en waarop ze zich neerzetten; verder is hier nog de inrichting getroffen, dat die insecten, die als gasten welkom zijn, door de drukking, die zij bij het aan vliegen op den gesloten muil van de bloem uitoefenen, de onderlip naar beneden drukken en het opengaan van den muil veroorzaken. Het is werkelijk vermakelijk te zien, als een hommel gonzend op zulk een Leeuwebek aanvliegt, om op