Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te vliegen en er zich op neer te zetten, zooals bij voorbeeld bij de bloemen der Funkia's, van Slangenkruid, Echium; van Helmkruid, Srrophultiria en Monnikskap, Aconitum, dan wordt reeds op het oogenblik, dat liet gaat zitten, en nog meer bij het dieper binnendringen in de bloem het insect aan den onderkant van het lichaam met stuifmeel bedekt. Bij een soort van Alpenrozen, Rhododendron Chamaecistus, en bij Gamander Eeroprijs, Veronica chamaedrys, afgebeeld op blz. 264 in Fig. 1, grijpen de naar de ter zijde gerichte bloemen vliegende insecten met de voorpooten de ver vooruitstekende helmdraden aan, om er zich aan vast te houden. Deze zijn echter zoo ingericht, dat zo zich bij die aanraking naar beneden en naar binnen draaien. In een oogwenk liggen ze tegen de onderzijde van het insectenlichaam aan en zetten daar terstond hun stuifmeel af.

Op groote schaal heeft het afzetten van het stuifmeel aan den onderkant van 't lichaam der insecten plaats bij do schijfvormige inflorescenties der Samengesteldbloemigen. Uit de kleine, het hoofdje van oen Composiet samenstellende buis- en tongbloempjes worden, kort na het opengaan van de kronen, de aan den buitenkant met stuifmeel bedekte stijlen vooruitgeschoven, en daar steeds geheele kransen van zulke bloemen tegelijk opengaan, steken tal van met stuifmeel beladen stijlen dicht naast elkaar als een klein boschje uit don bloembodem omhoog. Een op het hoofdje aanvliegend, grooter insect kan dus, reeds op het oogenblik van 't zich neerzetten, beladen worden mot het stuifmeel van vele bloemen tegelijk. Draait en keert zich buitendien het insect op de schijf der inflorescontio, door nu hier, dan daar den snuit in de kleine bloempjes te steken, dan strijkt het bij die gelegenheid met den onderkant van het achterlijf nog veel meer stuifmeel af en verlaat dan, overvloedig voorzien, het bloemhoofdje.

Op zeer eigenaardige manier geschiedt liet beladen mot stuifmeel bij de onder den naam Ci/jtrijtedium bekende Orchideeën. Daarbij wordt namelijk altijd slechts één der beide schouders van het bezoekend insect van een kleverig stuifmeelklompje voorzien. Hoe dit geschiedt, willen wij in liet kort mededeelen van Cyjiripediuw calceolun, een Europeesche soort van het genoemde geslacht.

De bloem van deze Orchidee, afgebeeld op blz. 296 in Fig. 1, bestaat uit zes bladeren, waarvan één den vorm heeft van een klomp, diep uitgehold is en op den bodem een bekleeding heeft van saprijke „haren". Soms worden dooi' de cellen, waaruit deze haren bestaan, ook kleine droppels nectar afgescheiden. Van deze haren willen kleine bijen uit het geslacht Andrena (of Anthrem, zooals het ook genoemd wordt) smullen en trachten daarvoor de holte binnen te dringen. Drie wegen staan hun hierbij open, of een der beide kleine openingen op den achtergrond, rechts en links naast de stempelzuil, öf de groote, ovale opening middenin vóór die zuil. Zij kiezen den laatsten toegangsweg en kruipen onder den breeden, ruwen stempel langs naar den bodem van de holte. Daar aangekomen, eten zo van wat de saprijke cellen der haren afscheiden, en trachten daarna weer naar buiten te komen.

Sluiten