Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesteld met vele Asperifolieeën, Oleaceeën, Primulaceeën on Polemoniaceeön. Als de Onrust of Meekrapvlinder in den herfst den honig uit de bloemen van de tot deze laatste familie behoorende Phlox zuigt, wordt daarbij alleen de in de nauwe buis binnengebrachte snuit met stuifmeel beladen, daar ten gevolge van vorm en plaatsing der bloemdeelen dat lichaamsdeel alleen met de antheren in aanraking komt.

Verschilende inrichtingen voor het opladen va n hot po 11 en op de bl oe menbezoek 011 de insecten. 1. Bloem van Cypripedium calceolus; uit een der openingen terzijde van de «tempelzuil komt oen soort van bij te voorschijn (een Andrena), die daarbij op den schouder wat van het kleverige pollen medeneomt (zie blz. 292). 2. Lengtedoorsnede door de lip en de stempelzuil van deze bloem. 3. Een bij van het geslacht Andrena, vliegonde. 4. Bloem van het Parnaskruid, Parnas&ia pf/luslris, waarvan het voorsto deel is verwijderd; van de nog zichtbare meeldraden zijn drie reeds van hun helmknoppen ontdaan on do vierde heeft zich zoo geplaatst, dat de belmknop juist het midden van de bloem inneemt. 5. Een der vijf „honigbladen" van 1'arnassia met het hekwerk van met glinsterende knopjes voorziene spijlen (zie blz. 299). 6. Bloem van Malcolmia tnarilima, waarvan een kelkblad, twee kroonbladen en twee meeldraden verwijderd zijn; het zichtbare deel van het vruchtbeginsel is met een rij van rechte stijve haartjes bezet. Zie blz. 295. 7. Lengtedoorsnede der bloem van Leonurus heterophyllus. Zie blz. 295. 8. Bloem van Kernera saxatilis, in het eerste ontwikkelingsstadium, van boven gezien. 9. Dezelfde bloem, eveneens van boven gezion, in een later ontwikkelingsstadium. 10. Dezo bloem van terzijde gezien, na verwijdering van een kelkblad en twee kroonbladen, zoodat een paar der in een rechten hoek omgebogen helmdraden goed te zien zijn (zie blz. 297). 11. Lengtedoorsuede der bloem van TroUius europaeus (zie blz. 298). — Kig.

1 en 2 natuurlijke grootte, de overige figuren 2- tot 8-maal vergroot.

Bij de zoogenaamde re vol verbl oemen vindt men dezelfde inrichting. Als „re vol verbloemen ' worden die bloemen aangeduid, waarin binnen de algemeene poort de mondingen van nauwe buizen te zien zijn, die er uitzien als de mondingen van den loop van een revolver. Die buizen ontstaan op zeer uiteenloopende manier. Bij de \V inden, ('onvolvulux, en bij de Gentianen springen de tegen de kroonbuis aangegroeide helmdraden als lijsten vooruit naar het in

Sluiten