is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de „korfjes" aan haar pooten verzamelen en in liet nest meenemen. Daar de kromming der meeldraden minstens zoo lang aanhoudt, tot het insect de bloem verlaat, is het onvermijdelijk, dat ook nog bij gelegenheid van den aangevangen terugtocht het stuifmeel door vele helmknoppen wordt afgestreken. Gewoonlijk zijn de bijen bij het verlaten van de Opuntiabloemen dan ook rondom met stuifmeel bedekt.

Het stuifmeel, dat in de helmknoppen der bloemen met slagwerk is vervat, wordt gedeeltelijk tegen het lichaam der insecten aangedrukt, gedeeltelijk bij de bewegingen, die met het verlaten der bloemen gepaard gaan, door de dieren afgestreken. Daarin onderscheiden zich do slagwerken van die inrichtingen, die ten doel hebben, het pollen op de insecten te werpen en ze ermee te bestrooien, en die kunnen worden samengevat onder den naam van werptuigen. Het wegwerpen of uitslingeren wordt teweeggebracht door een plotseling opspringen, nu eens van den stijl, dan van de meeldraden en bij eenige Orchideeën ook van de helmknoppen en van het snaveltje.

Daar het aantal verschillende werptuigen zeer groot is, kunnen wij hier slechts aan de meest in 'toog vallende onze aandacht wijden, en zullen wij allereerst beginnen met de schildering van do in Noord-Perzië inheemsche Crucittnelltt Kti/lusd, die in de afbeeldingen op blz. 316 en 319 is voorgesteld. Deze plant behoort tot de Stellateae of Sterbladigen. Hare rozeroodo bloemen zijn vereenigd in schijnschermen en ontwikkelen een sterken, van verre bespeurbaren honiggeur.

Als men van een afzonderlijke, nog niet opengesprongen bloem van deze drurittnclla den voorwand der bloemkroon verwijdert, om een kijkje te kunnen nemen van liet inwendige, dan valt dadelijk in het oog, dat de dunne, lange stijl slangvormig gekronkeld is, en dat de erop geplaatste dikke stempel tusschen de lielmknoppen nauw ingesloten is gelegen, zooals de afbeelding hierachter in lui/. 1 te zien geeft. Zoodra de helmknoppen zijn opengegaan, dringt het stuifmeel uit de hokjes naar buiten en komt te liggen op den met kleine wratjes voorzienen buitenkant van den stempel, zooals Fig. 2 laat zien. Kort daarop strekt zich de stijl; de slagen dor kronkelingen worden steiler, en daardoor wordt de met stuifmeel bedekte stempel boven de geledigde helmknoppen en tot onder den koepel der nog steeds gesloten bloemkroon opgetild. In dit stadium, dat in Fit/. 3 is voorgesteld, drukt de stijl van binnen stijf tegen den koepel van de bloemkroon en is zoo sterk gespannen, dat hij bij liet opengaan van de bloemkroon dadelijk omhoog snelt, waarbij het op den stempel liggende stuifmeel als stofwolkjes wordt weggeslingerd, zooals Fitj. 4 te zien geeft. Als insectenbezoek uitblijft, heeft dit wegslingeren van het stuifmeel vanzelf plaats; komen echter kleine vliesvleugeligen of vliegen aanzetten, om zich op de bloem neer te laten, en raken ze bij die gelegenheid den top van een bloem aan, die spoedig zou opengaan, dan wordt daardoor oogenblikkelijk het openspringen van de kroon veroorzaakt, en het aanrakende insect wordt van onderen af met stuifmeel bestrooid, zooals Fig. 1 van do afbeelding op blz. 319 laat zien. Later komt nog eenmaal ter sprake, wat verder in deze bloemen