Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het ook uit strooitangen bestaande strooiapparaat in de Acantlilisbloemen, zooals Acanthus longifolius, mollis en spinosus, de eerste afgebeeld op blz. 324, in big. 1 tot 3, wijkt van de tot hiertoe besprokene vooral daardoor af, dat de helmknoppen niet tweehokkig, maar éénhokkig zijn, en dat het hokje niet zoozeer gelijkt op een rond schoteltje als wel op een lang en smal schaaltje. De rand van dit langwerpige schaaltje is dicht bezet met een dons van korte haren, 't geen er wezenlijk toe bijdraagt, dat de op elkander gelegen helmknoppen beter tegen elkander aansluiten. De helmdraden zijn als uit ivoor gedraaid, buitengewoon stevig, en niet gemakkelijk uit elkander te dringen. Alleen groote, sterke hommels kunnen die helmdraden van stand doen veranderen, bewerken daardoor een uiteenwijken der helmknoppen, en worden dan op de bovenzijde van hun lichaam met stuifmeel bestrooid.

Belangrijk verschillend van do strooiapparaten, die zich als tangen met schaalvormige helmknoppen aan het eind der beenen voordoen, zijn die, welke de gedaante van een peperbus bezitten en die wij reeds strooibussen hebben genoemd. Men vindt ze hoofdzakelijk in klokvormige, hangende en knikkende bloemen. De helmknoppen, die aan den top of in de buurt van den top twee kleiqe gaatjes bezitten, zijn zóó binnen de klokjes geplaatst, dat op het oogenblik, waarop het stuifmeel zal worden uitgestrooid, de gaatjes naar beneden zijn gekeerd. Het stuivende pollen is in die strooibussen der meeldraden stijf in elkander geperst, raakt echter bij gedeelten los en wordt ook bij gedeelten in den vorm van kleine snuifjes vrijgelaten, ongeveer alsof een massa poedersuiker bij schokjes uit de openingen van een bus werd gestrooid.

Voor een deel zijn deze soort van helmknoppen binnen in de klokvormige bloemen zóó geplaatst, dat reeds in 't begin van den bloei de gaatjes naar beneden zijn gekeerd, zooals bij voorbeeld in de bloemen van het Lenteklokje, Leucojum vernum, en die van do Roode Boschbes, Vacciirium Vil is hlaea; voor een ander deel echter hangen ze aan omgebogen elastische draden, en de openingen zijn dan eerst naar boven gericht, d. i. bij de hangende bloem naar den bodem van deze. Opdat uit zulke van gaatjes voorziene helmknoppen, welker openingen naar boven zijn gekeerd, het stuifmeel kan uitvallen, moeten ze omgekeerd worden, 't geen geschiedt door tusschenkomst van de insecten, die met pollen moeten worden bepoederd. Zoo is het bij voorbeeld gesteld met het in Duitsche bosschen veelvuldig voorkomende (in ons land slechts enkele malen gevondene] Knikkend Wintergroen, Pirola secunda. De helmknoppen hebben in deze bloemen S-vormig gebogen en als een veer gespannen helmdraden, en worden in dezen stand door de aangedrukte kroonbladeren vastgehouden, zooals de afbeelding op blz. 324 in Fig. 7 laat zien. Zoodra nu insecten, in de klok binnendringend, de kroonbladeren verschuiven, strekken zich de tot nu toe gekromde helmdraden recht en daardoor worden de helmknoppen onderstboven gekeerd, zoodat de openingen naar beneden zijn gericht, wat in de genoemde afbeelding in Fig. 8 is aangetoond.

In zeer vele gevallen zijn de helmknoppen voorzien van bijzondere aanhangsels, waartegen de naar den bodem der bloem doordringende insecten

Sluiten