Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesteldheid der stempels nauwkeurig aangewezen. Werd liet stuifmeel uitgestrooid op den rug van een insect, dan moet ook de stempel met den rug van hetzelfde insect in aanraking komen; had het stuifmeel zich vastgehecht aan den snuit, dan moet liet insect met den snuit langs den stempel der later bezochte bloem strijken; werd de onderzijde van het dier voorzien van stuifmeel, dan moet in de bloem de stempel zijn plaats hebben bij den ingang der bloem, omdat de binnenkomende insecten die met de onderzijde van hun lichaam moeten aanraken.

Daaruit blijkt, dat door de dieren, die stuifmeel brengen, dezelfde weg moet worden gevolgd, dien zij reeds vroeger in de andere bloem, bij het meenemen van stuifmeel, volgden, en dat de stand der helmknoppen, die voor het afhalen van het stuifmeel het best geschikt is gebleken, over 't geheel ook voor den stempel, waarop het stuifmeel moet worden afgezet, de geschiktste is. Dit resultaat doet de gedachte rijzen, dat het misschien beter ware geweest, in dit werk tegelijk met het meenemen van het stuifmeel, ook het afzetten ervan te schilderen. Nu en dan werden dan ook daarop betrekking hebbende opmerkingen reeds bij een vorige gelegenheid ingelascht; maar een geregelde gelijktijdige behandeling van beide processen zou de van het begin af in 't oog gehouden voorstelling der overbrenging van stuifmeel door dieren hebben geschaad, en dus scheen het doelmatiger, liet afzetten van het stuifmeel hier afzonderlijk te behandelen, maar natuurlijk ons telkens aan te sluiten bij de vroeger geschetste verschijnselen.

In het voorgaande hoofdstuk werd reeds de verwisseling van plaats tusschen helmknoppen en stempels besproken en in 't bijzonder werd gezegd van de bloem van het Parnaskruid, Paniassia pal listris, afgebeeld op blz. 296 in Fig. 4, dat daarin do eene helmknop na den anderen in liet midden der bloem ging staan, omdat juist daarlangs de weg leidde, die voerde naar den honig, en de zuigende insecten gedwongen werden, van de langs dien weg staande helmknoppen stuifmeel af te strijken. Elke in het midden geplaatste helmknop bedekt echter den stempel, die op het eivormig vruchtbeginsel is gazeten, en zoolang dat het geval is, kan het stuifmeel uit andere bloemen daarop niet worden overgebracht. Dus is het noodzakelijk, dat ook de het laatst aan de beurt gekomen helmknop van de in het midden aangenomen plaats zich weer verwijdere, opdat de stempel toegankelijk worde. Dit geschiedt ook inderdaad. De stempel is dan vrij en ontbloot op dezelfde plek te zien, waar vroeger na elkander de vijf helmknoppen hadden gestaan, en als nu insecten komen en den honig opzoeken, wordt door hen het uit andere bloemen meegebrachte stuifmeel op den stempel afgezet.

Evenals met het Parnaskruid gaat het met Funlici, met Spoor bloem, Centraiithus, en Springzaad, hnpatiens. In de bloemen der laatstgenoemde plant vormen de helmknoppen een soort van kap, die den stempel zóó omhult, dat men hem in den eersten tijd van den bloei in 't geheel niet te zien krijgt. Eerst als die kap is losgegaan en afvalt, wordt de stempel ontbloot en staat nu op dezelfde plaats, waar vroeger de helmknoppen hadden gestaan.

In al deze gevallen behoeft de stand, die door den stempel in den aanvang

Sluiten