is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van den bloei werd ingenomen, niet te worden veranderd, opdat hij door de met stuifmeel beladen insecten op dezelfde plaats worde aangetroffen, waar vroeger de helmknoppen stonden. Daarentegen moet, ter bereiking van datzelfde doel, hij de stijlen van de meeste Steen breken, als Saxifraga bnjoides, cuneifolia, geum, rotundifolia en stellaris, alsook bij de stempels van verschillende Gentitianen en vooral bij die der revolverbloemen van veel Caryophylleeën, een verandering van stand plaats hebben. In 't begin zijn de stempels dezer planten in t midden der bloem samengevouwen, en de stuifmeelbevattende helmknoppen staan er in een kring omheen; nadat echter de helmknoppen zijn afgevallen en de helmdraden zich, door te buigen, hebben afgewend, gaan de stijlen of in andere gevallen de stempels uiteen, buigen, keeren of wenden zich en worden daar geplaatst, waar vroeger de helmknoppen hun stuifmeel hadden aangeboden.

Nog treffender zijn de bewegingen, uitgevoerd door de stijlen van de Lipbloemigen. Zooals men aan de afbeelding van de tot de Labiaten behoorende Salvia glutinosa, de Kleverige Salie, op blz. 312 kan zien, steekt in don eersten tijd van don bloei alleen de top van den stijl als een eenvoudige, rechte punt boven den rand der onderlip uit, (zie de afbeelding op blz. 312. Fig. 1 en 2, in de rechtsche bloem). Door de in de bloem binnendringende hommels wordt in dit stadium alleen stuifmeel van de helmknoppen weggehaald, maar de punt van den stijl raken ze niet aan. Later buigt do stijl zich boogvormig naar beneden; de beide tot nu toe aaneensluitende stempelarmpjes, die liet eigenaardige stempel weefsel bezitten, gaan uiteen en plaatsen zich zoo vóélden ingang der bloem, dat de als bezoekers aankomende hommels het uit andere, jongere bloemen meegebrachte stuifmeel eraan moeten afstrijken, zooals de genoemde afbeelding van Fig. 2 aan de linksche bloem laat zien.

Een zeer opmerkelijke verwisseling van plaats der stempels en helmknoppen neemt men ook waar in de bloemen van de Zwaardlelie, (11 adiolus; het Nieskruid, Helleborus; de Smalbladige Basterd wederik, EpUobium angustifolium; de groen bloeiende Ja ajuin ia en verschillende soorten van het geslacht Kampei foelie, fjoniiTrui verder hij Helmkruid, Scrojthularia, bij de soorten van het geslacht Pentstemon en Cobam, eindelijk ook bij talrijke Nachtschaden, zooals bij voorbeeld bij de Wolfskers, Atrojia; het Bilzenk luid, JJyoscgawun, het K lokbi 1 zenkruid , de Scojtolia atmiolaat en de Alruin, Mandragora.

Werpt men een blik in een pas geopende bloem van deze laatste, de Mandragora, hierachter afgebeeld op blz. 332 in Fig. 8, dan bemerkt men dicht achter den ingang, en wel juist in het midden, den bolvormigen, kleverigen stempel. De in een kring daar omheen staande helmknoppen zijn nog gesloten en leunen tegen den binnenwand der bloemkroon, en daar de ingangspoort om dezen tijd slechts matig wijd open staat, zijn zij nauwelijks to zien. Maar hoe verrast is men, als men dezelfde bloem na afloop van twee dagen terugziet! De stijl, die den stempel draagt, heeft zich ter zijde gebogen en leunt nu tegen den binnenwand der bloemkroon; de helmknoppen zijn daarentegen-naar het midden van