is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leven der planten

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

conica, Kegel Lijm kruid, [alle drie ten onzent inheemsch, hoewel de beide laatste vrij zeldzaam] bij welker bloemen op overeenkomstige wijze door de verlenging van uitgroeiende meeldraden de helniknoppen bij de stempels worden gebracht. De veranderingen hebben in deze bloemen heel geregeld op de volgende geleidelijke wijze plaats: 1) De kroonbladeren wijken uiteen; de toegang tot den bodem der bloemen is opengesteld; de helmknoppen der vóór de kelkbladeren staande meeldraden zijn reeds opengesprongen en bieden stuifmeel aan, dat door insecten afgehaald kan worden of gebruikt kan worden voor kruisbestuiving met andere bloemen, maar dat niet voor autagomie kan dienen, daar het geslachtsrijpe stempelweefsel op de in de buurt zich bevindende stijlen nog ontoegankelijk is. 2) De helmknoppen der vóór de kelkbladeren geplaatste meeldraden zijn afgevallen of de helmdraden zijn buiten den omtrek der bloem naar buiten gebogen; de stijlen, die het rijpe stempelweefsel dragen, wijken uiteen en plaatsen zich als de spaken van een rad in 't midden der bloem, opdat ze door de met stuifmeel beladen en uit andere bloemen aangevlogen insecten kunnen worden bestoven; de helmknoppen der vóór de kroonbladeren geplaatste meeldraden zijn nog gesloten. 3) De laatstgenoemde helmknoppen worden door hun in de lengte uitgroeiende, rechtovereindstaande helmdraden opgetild, komen daardoor op gelijke hoogte en in onmiddellijke aanraking met de wijduitstaande stempels, springen open, laten stuifmeel vrij en zetten het af op het rijpe stempelweefsel.

Bij het éénjarige Kegel Lijmkruid, Silene conica, heeft dat alles in den loop van één dag plaats; hij de overblijvende lUanthus glacialis, de lichtrood gekleurde Gletscher Anjelier, daarentegen in den tijd van 5 tot (i en, als het slecht weêr is, van 7 tot 9 dagen.

Len der veelvuldigst de autogamie veroorzakende inrichtingen is de volgende. Helmknoppen en stempels bevinden zich op dezelfde hoogte; maaide helmknoppen staan, ten gevolge van plaats en richting hunner helmdraden, zóó ver van den stempel af, dat een overbrenging van het klevende stuifmeel niet vanzelf kan plaats hebben. Op den geschikten tijd worden echter door de rechte, stijve helmdraden eigenaardige bewegingen uitgevoerd, die ten doel hebben stuifmeel uit de helmknoppen op de in de bunrt staande stempels over te brengen. De helmdraden buigen zich naar het midden der bloem; de helmknoppen worden aldus met de zich daar bevindende stempels in aanraking gebracht en zetten het uit de helmhokjes te voorschijn gekomen stuifmeel af op het rijpe stempelweefsel. Bij sommige hiertoe behoorende planten wordt de aan de beweging der wijzers van een uurwerk herinnerende plaatsverandering der meeldraden voorafgegaan door een strekking en verlenging der helmdraden, en in zoo ver vormen deze planten den overgang tot de vroeger besprokene, in welker bloemen de autogamie ten gevolge van het uitgroeien en het verlengen der helmdraden plaats heeft. Als tot deze groep behoorende zouden genoemd kunnen worden de drie Alpenplanten: Azalea procumbens, de Liggende Azalea; Draba azoides, de Altijdgroene Vroegeling, en Saxifraga aizoon, de Trosdragende Steenbreek en ook de