Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

altijd voor bestuiving geschikte stempels in onmiddellijke aanraking, (zie Fig. 9). Nadat de stempels stuifmeel hebben ontvangen, vallen de helmknoppen spoedig van de helmdraden af en deze laatste rollen zich nog verder op, zooals in Fig. 10 van dezelfde afbeelding is voorgesteld.

De Opuntia's of Konzenieljecactussen en de talrijke soorten van het geslacht Hom, Hoos, vertoonen dezelfde verschijnselen. De boogvormig gekromde helmdraden zijn van ongelijke lengte; de helmknoppen van den binnensten krans gaan het eerst open; maar hun stuifmeel heeft, ondanks de nabijheid van de stempels in dezelfde bloem, voor de autogamie geen beteekenis, omdat de helmknoppen lager staan dan de stempels en daarmee niet van zelf in aanraking komen. Alleen de helmdraden van den buitensten krans hebben de goede lengte, en die alleen krommen en buigen zich zoo ver naar het midden, dat hunne antheren onmiddellijk op do stempels komen te liggen. Daar echter de helmknoppen van die meeldraden het laatst in de bloem opengaan, heeft er ook alleen op 't laatste oogenblik van den bloei nog autogamie plaats, om zoo te zeggen, even vóór het sluiten van de poort; den geheelen overigen tijd is de bloem alleen geschikt voor kruisbestuiving.

Verschillende Hanunculaceeën, bij voorbeeld de als sierplant gekweekte Leverbloem, Hepatica triloha (de Anemone lxepatica van Linnaeus) en Anemone transsilvunica; Ranunculus al pest ris, Alpen Boterbloem; Ranunculus neer, de algemeen verspreide Scherpe Boterbloem, en Ranunculus montanus, hebben bloemen, die in bouw eenigszins aan de rozen herinneren. In het midden der bloemen verrijst een groep van stampers met korte stijlen en bijna zittende stempels, en deze groep wordt omsloten door talrijke meeldraden, die in veel kransen gerangschikt zijn en zelve weer door de kroonbladeren zijn omgeven. De bloemen zijn protogynisch, en in 't begin van den bloei kan alleen kruisbestuiving plaats hebben door tusschenkomst van insecten. Ook later, als zich de helmknoppen van den buitensten krans van meeldraden hebben geopend en het klevend stuifmeel aanbieden, is de bloem nog op kruisbestuiving berekend; want do afstand van deze helmknoppen van de stempels is betrekkelijk groot, en de bezoekende insecten gebruiken altijd het vruchtbeginselhoopje als plaats om op aan te vliegen er zich op neer te zetten en loopen van daar over de met stuifmeel bedekte helmknoppen naar den omtrek der bloem, om van daar weer weg te vliegen en eene nieuwe bloem op te zoeken.

Langzamerhand echter komen bij de genoemde Ranunculaceeën ook de meeldraden van den binnensten krans tot ontwikkeling; de tot nu toe zeer korte helmdraden groeien aanmerkelijk in de lengte uit, buigen zich naar binnen en leggen de intusschen opengesprongen en met stuifmeel bedekte helmknoppen op de stempels. Daar bij 't vallen der schemering de kroonbladeren van deze bloemen zich sluiten en ten gevolge eener zwakke kromming deistelen de bloemen een weinig gaan overhangen, zou men kunnen denken, dat ook die krommingen deel hadden aan het tot stand komen der autogamie, te meer daar bij talrijke andere Ranunculaceeën, waarover wij later nog zullon spreken, die hulp feitelijk wel wordt verleend; maar bij de bovengenoemde

Sluiten