Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een bijzonderheid valt op te merken bij planten, die hun gewone standplaats hebben in plassen en aan den rand van vijvers met afwisselend hoogcn waterspiegel, zooals bijvoorbeeld Alisma nataas, Drijvende Waterweegbree; IUecebnttn oerticillatuin, Hardkelk; Limosclla aquatica, Slijkgroen; l'cplix jwrtuta, Waterporselein en Subularia aquatica, Priem kruid, |allen tot de Nederlandsche sloottlora belioorend, behalve het laatstgenoemde, dat slechts enkele malen ten onzent is gevonden |. Voor 't geval de op 't ontluiken staande bloemknoppen dezer planten onder water worden gezet, ontluiken zij niet en dan heeft de autogamie in de gesloten blijvende bloemen onder water plaats. In de met lucht gevulde binnenruimte van zulke bloemen dringt het omringende water niet binnen, en dus doet het merkwaardige geval zich hier voor, dat de overbrenging van het stuifmeel op den stempel derzelfde bloem wel onder water, maar niettemin toch in de lucht geschiedt.

Bij enkele soorten van Duizendknoop, als Polygonum Itt/rfropiper, Bittertong; l'oli/tjonuin minus, de Kleine en l'uli/i/onuia mitr, de Zachte Duizendknoop kan men ook waarnemen, dat zich bij die planten, die afzonderlijk groeien en waarvan alle met bloemen bezette takken aan het zonlicht zijn blootgesteld en voor de insecten goed zichtbaar en toegankelijk zijn, alle bloemen zich openen, maar dat als van dezelfde soort honderden planten dicht bijoen staan, slechts een deel der bloemen het bloemdek opent. Alleen de bloemen aan de rechtovereindstaande takken van zulke planten gaan voor bezoekende insecten open: die van de benedenste, op den grond liggende takken, die beschaduwd en verborgen zijn en niet licht door insecten zullen worden gevonden, blijven gesloten. En toch heeft daarin de autogamie geregeld plaats. Iets dergelijks wordt verhaald van de tropische Mynuccodia tubcrosa, I een der eigenaardige op blz. 414 van Deel 1 besproken „mierenplanten"J, in wier kleine, porseleinwitte, steeds volkomen gesloten bloemen slechts autogamie plaats heeft, en die niettemin overvloedig kiemkrachtige zaden voortbrengen.

Zulke planten vormen den overgang tot de gewassen, die geregeld twee soorten van bloemen hebben, bloemen, die ontluiken en erop zijn ingericht, dat in haar door tusschenkomst van dieren kruisbestuiving plaats heeft, en bloemen, waarin met groote stiptheid autogamie tot stand komt. De laatste heeft men cleistogame bloemen genoemd, van x/.naioc, afsluitbaar, en yafieiv, huwen, en men onderscheidt daarvan een reeks zeer merkwaardige vormen.

Een gemeenschappelijk kenmerk van alle cleistogame bloemen is de gebrekkige ontwikkeling of het totale ontbreken van die bloembladeren, die door hun geur, hun kleur en hun honig de insecten tot een bezoek zouden kunnen lokken. Wat er aan bloembekleedselen wordt gevormd, heeft slechts de beteekenis van een omhulsel, in welks beschutting de zaadknoppen en stempels, de helmknoppen en het stuifmeel hunne geslachtsrijpheid erlangen en zicb met elkander kunnen verbinden. In veel gevallen is geen spoor van een bloemkroon te zien en zijn alleen groene kelkbladeren ontwikkeld, die vast aaneensluiten en die de meeldraden en de stampers als een holle kegel

Sluiten