Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bes; bij hot Bilzenkruid, Htjoscyamus, vormt hij eon dicht tegen de doosvrucht aansluitende, naar boven trechtervormig verwijden zak: bij de Lipbloemigen doet hij zich nu eens voor als een korte buis, dan weer als een klok of een napje, op welker bodem de vierdubbele dopvrucht is gelegen. Bij Waternoot, Trapa natans, afgebeeld op blz. 292 in F'uj. 3, van Deel II, worden de vier kelkbladeren hard en vormen een in vier kruiswijs staande punten uitloopend, buitengewoon stevig omhulsel voor de vrucht. Bij vele \ alerianen, Sa me n g e s t e 1 d b 1 o e m i ge n on Scabiosa s, groeit de kelk in den tijd van het rijpen der vrucht uit tot een stralenden krans van stijve haren ot tot een haarkroon. Aan deze haarkroon, die pappus of vruchtpluis heet, is dan het dopvruchtje als aan een valscherm opgehangen, zooals op onderstaande afbeel-

1 9. 4 6

Vruchten, aan d e vorming waarvan do bloembodem, de om windselblaadjes of de kelk aandeel hebben. 1. Vrucht van de S pee er ij struik, Calycatithns. 2. Lengtedoorsnede daarvan. 3. Vrucht van Leverkruid, Agrimonia eupatoria. 4. Lengtedoorsnede daarvan. 5. Vruchten van den W i n t e r e i k, Quercus sesstliflora. 6. Vrucht van de Gewone Va 1 e r i a a n, Valeriana officinalis.

(Naar Baillon). Zie ook blz. 507 on 508.

ding in Fig. <> van de Gewone Valeriaan, Valeriana officinalis, te zien is.

Bij de planten, die geen kroonbladeren bezitten, worden zeer dikwijls de schut- en omwindselbladeren voor de vruchtvorming te hulp geroepen. In dit opzicht zijn vooral de Grassen, do ('u puli feren en de Casuarineeën te noemen.

Bij de Grassen is het een zeer gewoon verschijnsel, dat do graan vrucht wordt omsloten door de onder den naam kafjes bekende omhulsels en geheel onttrokken is aan het oog van den waarnemer. Zoo bij voorbeeld is de graanvrucht van gerst en haver gewikkeld in verdroogde en verharde kafjes, en eveneens is het gesteld met vele andere grassen. I)e grootste verscheidenheid van die vruchtomhulsels neemt men echter waar bij de Cupuliferen, dat zijn de Napjesdragenden, waartoe do Eik, de Gewone Beuk, de Haag-

Sluiten