Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij de op blz. 539 in Fig. 1 afgebeelde, mede tot de Liliaceeën behoorende Gagea perst ca, de Persische Geelste r, doen zich verscheiden van die eigenaardigheden voor, die wij zooeven in de Oranje Lelie beschreven. De stengels van dit sierlijke, kleine bolgewas dragen bloemen op den top, die bij uitblijvend insectenbezoek verwelken, zonder vruchten voort te brengen. In de oksels deidraadvormige, groene bladeren zijn zeer kleine knopjes aangelegd. Gaan de vruchtbeginsels te niet, dan groeien die knopvormige organen, afzonderlijk afgebeeld in Fig. 4, verder uit; worden er rijpe vruchten gevormd, dan gaan aan de stengels alle of de meeste van die knopjes te gronde.

Een merkwaardige tegenhangster van deze plant heeft de Middeleuropeesche Flora in de Boheemsche Geel ster, Gagea bohemica. De soortnaam moot niet op het denkbeeld brengen, dat deze soort enkel in Boheme wordt gevonden; zij heeft dien naam indertijd alleen gekregen, omdat zij het eerst in Boheme werd ontdekt, later bleek haar gebied zeer groot te zijn en zich van Middel-Europa tot in Perzië, Klein-Azië, Zuid-Rusland en het Balkanschiereiland uit te strekken. Verder westelijk in Europa vindt men Gagea boliemiea alleen nog op enkele, weinige verloren posten in Boheme en bij Maagdenburg, en de plant is zonder twijfel een laatste overblijfsel van de oudtijds zich tot aan den Harz uitstrekkende steppenflora. Later zal er gelegenheid zijn, te vertellen, boe die steppenflora zich oostwaarts beeft teruggetrokken, en hoe zij door beslist andere plantengemeenschappen is vervangen; maar reeds hier kunnen wij erop wijzen, dat gelijktijdig met het terugtrekken der steppenflora ook een teruggang van de stepp endieren plaatshad. De Steppenantilope, de Steppenmarmot, het Steppenstckelvarken, de Paardepoot-springmuis en de Fluithaas, die toentertijd in Middel-Europa leefden, hebben dit terrein reeds lang verlaten, en men mag op goeden grond aannemen, dat ook do insecten van die periode verdwenen zijn.

Nu is het zeker uiterst merkwaardig, dat de genoemde steppenplant Gagea bohemica, welker bloemen naar hun bouw erop zijn ingericht, om door insecten te worden bestoven en waarin geen zelfbestuiving tot stand komt, op de genoemde afzonderlijke standplaatsen in Boheme en Duitschland nooit vruchten en zaden tot rijpheid brengt. Onwillekeurig dringt zich de gedachte op, dat van deze mislukking het ontbreken van de steppeninsecten schuld is, die oudtijds waarschijnlijk ook in Boheme en in Duitschland verspreid waren. In elk geval is dit een feit, dat aan de planten van Gagea bohemica, die op de standplaatsen in de vrije natuur in Boheme en Duitschland wel bloemen vertoonen, nog niemand rijpe vruchten en zaden heeft zien ontstaan. Daarentegen ontwikkelen zich op den stengel van deze plant tusschen de beide wortelstandige bladeren kleine knoppen, die op bolletjes gelijken, later afvallen, wortels krijgen en tot zelfstandige planten kunnen uitgroeien, om de soort in stand te houden en voor hare vermenigvuldiging te zorgen.

Sluiten