Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoggen dan, dat liet een uitstekend orchideeënjaar is; maar dan volgen weer verscheiden zomers, waarin op de grazige weiden, die het ééne jaar met duizenden Orchideeën versierd waren, slechts eenige weinige bloemen zich vertoonen.

Ie prikkel, om een bloeienden tak tot ontwikkeling te brengen kan met uitgaan van de weerstoestanden van het jaar, waarin het bloeien plaats heeft; want reeds in den herfst van het voorafgaande jaar kan nien duidelijk herkennen, of de aangelegde knop een blad- of een bloemknop is Wilde men dus verschijnselen, die het weder bepalen met de generatiewisseling in verband brengen, dan moest men het oog vestigen op de toestanden van den aan liet bloemrijke jaar voorafgaanden zomer. Bij sommige forsche en omvangrijke planten, die in den zomer aan den eenen kant schaduw hebben en aan den anderen kant door de zon worden beschenen, kan men gemakkelijk opmerken, dat aan den schaduwkant uitsluitend of in hoofdzaak bladknoppen mi liet zonnige gedeelte daarentegen talrijke bloemknoppen zijn aangelegd en' moii zal zich wel niet vergissen, wanneer men de zonnestralen als prikkels voor den aanleg van bloemknoppen en dus van geslachtelijke generaties aanziet.

Daarvoor pleit ook de ervaring, dat die planton, die in de dichte schaduw van hot woud vele jaren aaneen „iet bloeien en er alleen door middel van bladknoppen in stand blijven, na hot vellen dor boomen, als de zon door het gekapte gedeelte warm op hen neerstraalt, weer bloemknoppen krijgen 011 bloemen en vruchten voortbrengen. Welk voordeel de plant hiervan heeft word roods op blz 4<il aangeduid; maar op do belangrijke vraag, hoe en op welke wijze het zonlicht op de bouwende werkzaamheid dor plant onmiddellijk invloed hoeft on hoe hot komt, dat hetzelfde weefsel, 't welk het uitgangspunt voor oen knop vormt, in den zonneschijn tot een bloemspruit en in do schaduw tot oen bladspruit wordt, moeten wij voorloopig het antwoord nog schuldig blijven.

bon andere vraag, die wij hier moeten stellen, is de volgende. Waarom is de genoratiowisseling in het plantenrijk zoo- algemeen verbreid en waarom beperkt zij zich ,n het dierenrijk slechts tot enkele kringen? Het antwoord

lHo.lt zich vanzelf aan, als men m aanmerking neemt, waardoor zich de dieren met generatie wissel ï ng van de dieren zonder generatiewisseling onderscheiden, lot meest in t oog vallend onderscheid is daarin gelegen, dat do koralen polypen en andore dieren, die goneratiewisseling hebben, aan don grond zijn vastgegroeid. Als echter een wezen, welks levenswerkzaamheid erop gericht is in stand to blijven, zich te vermenigvuldigen en zich te verspreiden, als geheel'

zijn plaats met kan verlaten, moeten er doelen van worden gescheiden, die als afleggers zelfstandig kunnen leven en aan winden en stroomen prijsgegeven, nieuwe woonplaatsen gaan zoeken, oen verschijnsel, dat zoowel bij planten als bij dieren moet, voorkomen. Wel kan de verspreiding ook daarvan f6™ 8 dat (,° langs geslachtelijken weg ontstane nakomelingschap hot moederlijk organisme verlaat en naar nieuwe woonplaatsen wordt overgebracht maar de voortbrenging van nakomelingen langs generatieven weg; vooral langs dien der krmsbevruchting, vereiseht bij levende wezens, dio zich niet kunnen

Sluiten