Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Drakenkop en van Leucanthemum vulgare (of Chrysanthemum leucanthemum), de Witte (ïanzebloem, eene violette; die van de besproken Lychnis mscaria en van Satureia hortensia, het Boonenkruid, eene bruinroode tint aangenomen, terwijl de bladeren van Bergenia crassifolia en van Potentilla tiroliensis, reeds in Augustus die scharlakenroode kleur vertoonden, die zij in het dal op zonnige plaatsen in den laten herfst plegen aan te nemen.

Wij kunnen hier de opmerking inlasschen, dat ook veel dieren, met name spinnen en slakken, die van de vlakte tot op het hooggebergte voorkomen, in de Alpen donkerder tinten vertoonen.

Een niet onbelangrijk aantal plantensoorten, vooral die, welke in het dal. op schaduwrijke of half beschaduwde plaatsen groeien, als Orobus vemus, Voorjaars Latherus; Valeriana Phu, het Heidens Wondkruid en Viola cucullata, hadden in den Alpenproeftuin, blootgesteld aan de volle zon. meer of min gele bladeren. Dat ook het Vlas, Linum usitatissimum, dat nog in bergdalen op 1500 M hoogte op zonnige vlakten groeit en geen nadeel voor het bladgroen van die hoogte ondervindt, in den Alpenproeftuin op 2195 M hoogte vergeelde, werd reeds in Deel II op blz. 25 en 26 opgemerkt.

Bij dit beknopte overzicht van door cultuurproeven teweeggebrachte veranderingen in den vorm der planten sluit zich geleidelijk een reeks van belangrijke overwegingen aan. Allereerst heeft men het resultaat vast te houden, dat er bij planten onderscheid valt te maken tusschen tweeërlei kenmerken, namelijk die, welke het gevolg zijn van bepaalde toestandenen eigenschappen van bodem en klimaat, en die, welke onafhankelijk van die uitwendige invloeden optreden. Dit onderscheid is van zoo verre strekking, dat het doelmatig schijnt, het door een paar voorbeelden op te helderen.

De Witte Plomp of Waterlelie, Xymphaea alba, ontwikkelt lagere overgangsbladeren van ei- of Iancetvormige gedaante, waaraan van eene verdeeling in steel en bladschijf niets te bespeuren is. De gewone stengelbladeren vertoonen een verdeeling in een rolronden steel en een uitgespreide bladschijf. Deze kenmerken treden op in alle omstandigheden, onverschillig, of het zaad van de bedoelde plant op den bodem van een diepen poel of in het slijk eener moerassige weide ontkiemt. Op de moerassige weide blijven de bedoelde onderste bladeren kort en de wanden van hun opperhuidcellen nemen in het oog vallend in dikte toe; de stelen der andere bladeren, die door lucht zijn omgeven, worden ongeveer een span lang; ter vermeerdering van hun stevigheid krijgen ze een dikke laag bastvezels, en de dikte van de daarmede voorziene vaatbundels bedraagt 0,17 millimeter; de wanden der opperhuidcellen verdikken zich; onder de opperhuid vormen zich 5 tot 9 lagen van collenchymcellen, welker wanden 0,007 millimeter dik zijn, en de luchtkanalen in het midden van den bladsteel zijn zeer vernauwd.

Als echter diezelfde soort van Plomp of Waterlelie ontspruit onder een hooge waterlaag, worden de genoemde lagere overgangsbladeren lange, slappe linten, en de stelen der stengel bladeren groeien zoo lang voort, tot de door hen gedragen bladschijven op den waterspiegel komen te liggen. Al naar de

Sluiten