Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opperhuid van het tot broedplaats uitgekozen weefsel beschadigd, öf het ei wordt terstond in de diepere weefsellagen afgezet. In beide gevallen heeft er in den omtrek een drukke celdeeling plaats. Is het ei in de opperhuid gelegd, dan moet de uit het ei voortkomende larve zich naar het inwendige van het intusschen opgezwollen weefsel voortwerken, terwijl in die gevallen, waarin het insectenei dadelijk bij zijn afzetting in het diepere weefsel werd neergelegd, zulk een verplaatsing van de larf niet noodig is en ook niet geschiedt.

De holten, waarin zich bij deze merggallen de larven ophouden, heeft men larvenkamers genoemd, en men onderscheidt merggallen, die vele dergelijke kamertjes, en merggallen. die slechts een enkel bevatten, zooals de afbeelding op blz. 70 in Fig. 2 en 7 te zien geeft. De wanden der larvenkamers veitoonen in hun bouw allerlei verschillen. In alle gevallen hebben zij eene uit saprijke, dunwandige cellen bestaande, onmiddellijk aan liet ei grenzende laag, die de merglaagof het galmerg wordt genoemd, en eene uitwendige laag, die als wand of schors hot galmerg omgeeft, zooals in Fit/. 10 van de plaat op blz. 63 te zien is. In de meeste gevallen is er ook nog een derde laag ingevoegd, die uit zeer stevige cellen bestaat, en die men de schut- of pantserlaag heeft genoemd. Ook moet hier nog worden opgemerkt, dat de lagen van den wand bij verscheiden soorten los van elkander zijn, zoodat men dan een binnen- en een buitengal kan onderscheiden.

Het galmerg of de merglaag moet do uit het ei te voorschijn gekomen larven van voedsel voorzien, en daartoe zijn de cellen dan ook toegerust met voedende stoffen. Het is opmerkelijk, dat het merg met verbazende snelheid ontstaat en dat de vorming terstond een aanvang neemt, nadat het ei in het weefsel is gelegd. De uit het ei kruipende larve vindt den binnenwand van het haai tot tijdelijke verblijfplaats dienende hokje altijd reeds voorzien van het noodige voedsel, valt ook dadelijk met een stevigen honger op het saprijke celweefsel van den binnenkant aan en graast het af. Merkwaardigerwijze wordt het afgegraasde gedeelte der cellen binnen zeer korten tijd door nieuw weefsel aangevuld. De cellen van het galmerg blijven namelijk al den tijd, gedurende welke de larven in hot larvenhokje voedsel noodig hebben, in staat zich door deeling te vermenigvuldigen, en zooals op een weide uit de door runderen afgegraasde of uit de gemaaide graszoden spoedig weer nieuwe halmen en bladeren ontspruiten, zoo worden ook de in de galhokjes afgegraasde bovenste cellenlagen in zeer korten tijd weer door nieuwe, uit de diepte opgegroeide cellen vervangen.

De op de bladeren van den Grijsgrauwen Wilg, Salix incana, ontstane bolvormige gal, afgebeeld op de plaat van blz. 63 in Fit/. 9, is éénhokkig, en in het hokje leeft een larve op kosten van de uiterst dunwandige, met zetmeel en andere voedingstoffen gevulde cellen, die het galmerg vormen, zooals Fig. 11 laat zien. De larve doet formeele ommegangen in het hokje, begint op een bepaalde plaats de cellen te nuttigen en graast ze, in het rond gaande, af, zooals Fig. 10 aantoont. Als zij op de plaats is gekomen, waar zij den maaltijd is begonnen, zijn daar weer nieuwe, tot voedsel geschikte cellen ontstaan.

Sluiten