Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

"\ ooreerst de door de bladluis Schizoneura tremulae veroorzaakte gallen in de kronen der Espen, Populus freitnda. De bladschijven aan de takken der kroon zijn bij deze boomen, zooals bekend is, gehecht aan opvallend lange, rechte, elastische, buigzame stelen, zooals de afbeelding hiernaast in Fig. 1 laat zien, en ten gevolge daarvan worden zij, zelfs bij zwakke luchtstroomen, in schommelende beweging gebracht. Door den invloed van de genoemde bladluis worden echter die bladstelen meer dan de helft korter; ze worden stijf en krommen zich S-vormig, zooals op dc afbeelding Fig. 2 aantoont. De bladeren worden Hauw schelpvormig gebogen of uitgehold, leggen zich met de concave zijde als dakpannen over elkander heen en omsluiten aldus een bolvormige ruimte, die 1111 dient tot verblijfplaats van de zich ontwikkelende bladluizen, en die afgebeeld is in Fig. 3.

Hij deze op Espen veelvuldig voorkomende gal sluiten zich aan de eigenaardige vormingen aan de toppen der takken van Wilgen, zooals Salix ant ifa, Snli.r capren en Salix alba, gallen, die gewoonlijk Wilgenroosjes genoemd worden. Zij worden door de galinug Cecidonigia (Diclielomyia) rosaria teweeggebracht. De bladknop, waaruit ze ontstaan, behoudt zijn korte as en ontwikkelt daaruit talrijke groene bladeren, die als de bladeren eener gevulde roos zijn gerangschikt. De onderste bladeren dezer „roos" verschillen in vorm niet zeer veel van de gewone groene bladeren der wilgensoort. Meestal bespeurt men enkel eene verkorting en verbreeding van den bladsteel en dc bladscheede, terwijl de groene bladschijf en hare vinnervige nervatuur zoo goed als onveranderd in stand zijn gebleven. Hij de liooger, of wel meer binnenwaarts volgende bladeren is daarentegen het scheedevormige gedeelte van het blad aanmerkelijk in omvang toegenomen, en is de bladschijf kleiner geworden, terwijl nog meer naar het middelpunt der „roos ' do bladeren schubvormig worden en de spruit daar opvallend verkorte bladeren met breede, bleeke, vleezige bladstelen heeft, die overgaan in eivormige of lancetvormige, van straalvormig verloopende nerven voorziene bladschijven, zooals de afbeelding op blz. 80 in Fig. 1 tot 6 laat zien.

Opmerkelijk is hot, dat het aantal bladeren in zulk een Wilgenroosje altijd grooter is dan dat, 't welk aan een onveranderde loot van de bedoelde soort van wilg wordt gevonden. Wanneer bij voorbeeld het aantal bladeren aan een jaarloot van den Waterwilg, Salix caprea, 25 bedraagt, dan is aan een „roos" van deze soort van wilg dat aantal minstens dubbel zoo groot, 't geen slechts zóó te verklaren is, dat hier een prolepsis heeft plaats gevonden, dat is, dat zich niet enkel de voor het loopende jaar aangelegde loot ontwikkeld heeft, maar dat bovendien, uit een aan die loot ontstaanden knop, nog een loot tot ontwikkeling is gekomen, die in gewone omstandigheden dit eerst in het daaraanvolgende jaar zou hebben gedaan. Als de herfst komt, kan men deze rozetvormige gallen aan wilgenstruiken reeds van verre duidelijk onderscheiden, omdat do hen samenstellende bladeren niet als de andere bladeren afvallen, maar als bruine, verdroogde bladgroepjes aan de toppen der takken blijven zitten.

Zeer opmerkelijk zijn ook de rozetvormige gallen, die aan de toppen der

Sluiten