Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Alpenroos, Rhododendron ferrugineum. De meeldraden en vruchtbladeren zijn hier, door den prikkel van de erop huizende dieren, veranderd in roode bloembladeren. Daar de bloemen van het bedoelde Alpenroosje tien meeldraden en vijf vruchtbladeren hebben, zou men in het midden der bloem slechts vijftien roode blaadjes moeten tellen; inderdaad zijn er echter dubbel en driemaal zooveel aanwezig, en er heeft dus niet enkel eene vervorming, maar ook een vermeerdering der bladachtige deelen plaats gehad.

De bloemen van enkele tot de Valerianeeën belioorende planten, met name van Valerianella carinata, de Gekielde Veldsla, waarvan op blz. 48 in Fig. 2 een klein bijscherm is afgebeeld, worden door den invloed eener galmijt wel gevuld of verdubbeld, maar zonder dat eene vermeerdering van liet aantal bloembladeren plaats grijpt. De verdubbeling bepaalt zich tot de verandering der meeldraden in een krans van kroonbladeren. Maar er heeft in dit geva ook nog een andere eigenaardige vervorming plaats. De kroonbladeren zijn meer dan 50 maal grooter geworden en zijn overgegaan in vleezige lobben, die met elkander tot schijven zijn vergroeid; zie op blz. 48 in lig- 3. ooi a zui al die lobben achterover buigen en van onderen hol staan, zijn er onder de

bloemen holten, waarin de galmijten leven.

De spil der inflorescentie en ook de stelen der afzonderlijke bloemen zijn bij deze klontgallen niet zelden verdikt, vleezig gezwollen en op allerlei manieren mislukt en vergroeid. Als verschillende aaneengrenzende bloemstelen met elkander vergroeien, ontstaan hanekamvormige of met een uitgespreiden waaier te vergelijken vormingen, die men fasciaties heeft genoemd; soms komen er door de vergroeiing van talrijke, in den vorm van schijnschermen gerangschikte bloemstelen koraalstokvormige of onregelmatige, bultige massa s voor den dag, die bezet zijn met vergroende, meestal zeer weinig ontwikkelde bloemem Zoo is het bij voorbeeld gesteld met de klontgallen van den Gewonen Esch, Fraxinus excelsior, en met die van den Pluimesch, Fraxmus ornus, die dooide galmijt Phutoptus fruxini worden teweeggebracht, en waarmee de kronen der boomen 'dikwijls als bezaaid zijn. Het best kan men deze klontgallen der Esschen vergelijken met bloemkoolen en met de Itahaansche broccoli, en het is zeer waarschijnlijk, dat ook deze laatste vervormingen van de bloeiwijze van Bnissica ole racen aan galmijten hun oorsprong te danken hebben.

Met de onbeduidende en weinig in 't oog vallende vilt gal Ion aan de onderzijde van enkele bladeren werd de beschrijving der gallen begonnen, met de klontgallen, tot welker opbouw niet zelden honderden van bloemstelen en bladeren hebben meegewerkt, besluiten wij deze beschrijving. Voor de afzonderlijke groepen, die in de lange reeks werden genoemd, moesten wij natuurlijk slechts met enkele voorbeelden volstaan, en wij moesten ervan afzien, alle tot hiertoe bekend geworden galvormingen, ten getale van ongeveer 2000, te bespreken. Of bij voortgezet onderzoek der gallen in het gebied der tropische tlora nog vormen zullen worden gevonden, die buiten het kader van de hierboven gegeven indeeling vallen, is moeilijk te zeggen. Waarschijnlijk is het niet. Misschien zullen zich bij de reeds bekende nog duizenden tot nu toe

Sluiten