Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

overgangen met elkander waren verbonden. Een andere groep botanici herkende daarentegen in de meeste der zoogenaamde overgangen 't resultaat van kruisingen, die in de vrije natuur waren ontstaan, zonder daarmee overigens tegen te spreken, dat soorten het vermogen konden hebben, onder den afwisselenden invloed van bodem en klimaat, variëteiten, in den zin van Linnaeus, voort te brengen.

Voor mij was het reeds toen aan geen twijfel onderhevig, welke van de beide, tegenover elkander staande opvattingen over het ontstaan, de beteekenis en de plaats der tusschenvormen de voorkeur verdiende, en juist de ontdekking van de hierboven genoemde wilgenhybride was de aanleiding, dat ik voortaan steeds in 't bijzonder mijn aandacht vestigde op de plantenbastaarden, en dat ik reeksen van proeven nam, ter opklaring van veel donkere punten en ter opruiming van toenmaals heerschendo vooroordeelen.

Een zwaarwichtig vooroordeel over het wezen en de beteekenis der bastaarden bestond hierin, dat men ze beschouwde als tegennatuurlijke, met de natuurwetten in strijd zijnde producten, wat reeds in de aanduiding bastaard ligt opgesloten, vooral in het Duitsche woord „Bastart". Grjmm zegt in zijn Deutsches Wörterbuch, Deel I blz. 1150, dat Bastart beteekent slechte, onnutte soort; vandaar dat de Duitschers de oude schrijfwijze Bastard, met een <1 op 't eind van het woord, hebben vervangen door die met een t op het eind. Het vooroordeel ging zoo ver, dat Kant alle recht van bestaan aan de bastaarden ontzegde en meende, dat zij al na de eerste generatie zouden moeten uitsterven.

In verband met dit vooroordeel stond een tweede, dat aangaf, dat de bastaarden het vermogen missen, kiemkrachtige zaden voort te brengen en zich langs geslachtelijken weg voort te planten. Waarschijnlijk hadden tot die uitspraak de bastaarden van het geslacht Toorts, Verbascum, aanleiding gegeven, die in Middel-Europa veel voorkomen en zeer in 't oog vallen, zoodat zij zelfs door botanici van de oudere school, overigens wars van de erkenning van plantenbastaarden, als resultaat van een kruising tusschen twee soorten werden erkend. Déze Verbascumhybriden brengen namelijk voor het meerendeel geen zaden tot rijpheid. Meestal blijven reeds hun stampers in ontwikkeling ten achter, en als zich soms al een enkele doosvrucht vormt, zijn toch de zaadknoppen erin slecht ontwikkeld en niet tot kieming in staat. Niettemin zou het verkeerd zijn, te willen beweren, dat geen enkele Verbascumhybride ooit kiemkrachtige zaden heeft voortgebracht. Van twee zulke kunstmatig in 't leven geroepen bastaarden, namelijk Verbasrum rubiginosum, die door kruising van Verbascum austriacum met het stuifmeel van Verbascum phoeniceum, de Violette Toorts ontstond, en Verbascum pseud ophoeniceum, die door kruising van Verbascum blattaria, Mot we ren de Toorts, met Verbascum phoeniceum waren ontstaan, bracht de eerste, wel is waar, nooit kiemkrachtige zaden voort, maar in de trossen van de laatste rijpten onder vele mislukte en looze doosvruchten ook eenige met kiemkrachtige zaden, 't geen hier moge worden gemeld, om aan te toonen, dat zelfs de Ferèascwfn-bastaarden niet zonder uitzondering onvruchtbaar zijn.

Sluiten