Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komenheid gewoonlijk ook de grootte der planten eene rol. Eene groote plant maakt den indruk, dat zij een hoogeren trap van volmaaktheid heeft bereikt dan een kleine. Maar ook bij gebruik van dezen maatstaf komt men tot geen bevredigend resultaat, en het kan voldoende zijn, erop te wijzen, dat de wieren uit de Stille Zuidzee uiet achterstaan in hoogte bij de boomen onzer bosschen. Met betrekking tot de verscheidenheid in den bouw der afzonderlijke cellen nemen vele microscopische sporeplanten een hoogeren trap in dan menige zichtbaar bloeiende plant, en wilde men aan die omstandigheid bijzondere waarde hechten, dan moesten de Diatomeeën en Desmidiaceeën voor hooger georganiseerd worden gehouden dan vele kleine éénjarige Composieten.

Bestond er een steeds voortgaande volmaking, dan zou men ook moeten kunnen vaststellen, welke plantensoort als de volmaaktste op de hoogste sport der ladder staat, of tenminste, welke plantengroep de hoogste volmaking reeds heeft bereikt, 't zij dan liet bloeiend Biet in onze slooten, of de Magnolia's, de Orchideeën, de Samengesteldbloemigen, de Kanunculaceeën, de Vlinderbloemigen, de Oranjeappelboomen enz. Wie zich maar een weinig met onderzoekingen over den bouw dezer planten heeft beziggehouden, zal moeten toegeven, dat een schatting in dit opzicht onmogelijk is. In de botanische werken moet natuurlijk de eene of andere plantengroep aan het begin en een aan het slot worden besproken en afgehandeld, maar daarmee is niet gezegd, dat de laatste ook de meest volmaakte is. Hier mag er trouwens op worden gewezen, dat de verschillende onderzoekers hunne systematische werken met de meest verschillende plantengroepen beginnen en eindigen.

Ook dringt zich de vraag op, waarom naast die planten, die reeds den hoogsten graad van volmaaktheid moeten licbben bereikt, er nog zooveel „lagere", dat is dan onvolmaakte leven. l)e voorstanders der volmakingstheorie zijn gedwongen, de gewaagde stelling te aanvaarden, dat er steeds door, ten allen tijde spontane generatic heeft plaats gehad, dat die ook nu nog zich voltrekt, en dat daarom alle organisatievormen van de laagste tot de hoogste, van de onvolkomenste tot de volkomenste naast elkaar bestaan. Waarom echter nog aanhoudend spontane generatie en van voren af aan beginnende ontwikkeling der daardoor nieuw ontstane wezens plaats heeft, als de wereld buitendien reeds met volkomen en volmaakte planten is bevolkt, wordt niet gezegd.

De metaphysicus zal ook de vraag moeten stellen, welk doel dan eigenlijk toch wel wordt nagestreefd met de volmaking der planten. Welk plan moet erdoor worden vervuld, dat zich uit een Mos een Varen, uit een Gras een Anjelier, uit een Brandnetel een Vijgeboom ontwikkelt? Over al die vragen kan noch de ervaring, noch de hypothese bevredigend licht verspreiden. De volmakingstheorie is daarom evenmin als de aanpassingstheorie in staat, de veranderingen te verklaren, die de plantensoorten in den loop der tijden hebben ondergaan.

Een derde theorie steunt op de ervaringen, die het tegenwoordige geeft. Zij laat zich samenvatten in de stelling, dat alle bij de nakomelingschap stand

Sluiten