Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omgebouwd, die door uitvoerige, nauwkeurige' en wel gelukte proefnemingen haar een vaste basis hebben geschonken.

Keeds in 1886 was de Vries tot do overtuiging gekomen, dat men het ontstaan van soorten moest kunnen waarnemen. De algemeene opinie was hiermede in strijd; de voorstelling van een langzaam en geleidelijk ontstaan der soorten, die toen nog bijna zonder uitzondering door de geleerden gehuldigd werd, bevorderde de verwachting in die richting niet, terwijl men schoksgewijze veranderingen slechts kende als zeer zeldzame verschijnselen bij land- en tuinbouwgewassen en die zich dan bepaalden tot hetgeen men meende als variëteiten scherp van soorten te moeten onderscheiden.

Prof. de Vries toog echter aan het werk. Hij verzamelde van een 100-tal soorten van wildgroeiende planten zaad en zaaide dit in den Hortus Botanicus te Amsterdam, waar de planten, voldoende geïsoleerd ter voorkoming van de vorming van hybriden, werden opgekweekt en het zaad werd geoogst en opnieuw uitgezaaid, in den regel op groote schaal. Het doel was om na te gaan of er enkele soorten zouden aangetroffen worden, die juist in een mutatie-periode verkeerden. Zoo werden uitgezaaid en gekweekt Verbascum thapsiforme, Thrincia hirta, Crepis biennis, Centauren nigra, Capsella bursta pastoris, Bidens cernua, Aster tripolium, Cynoglossum officinale, Sisymbrium alliaria, Daucus carota en vele andere wilde planten, benevens veel gekocht zaad van eenjarige tuinplanten, terwijl Prof. de Vries zich bij de keus zooveel mogelijk liet leiden door een indruk van een bijzondere neiging tot variabiliteit en dus liefst zaad koos van planten met verbreede stengels, gespleten bladeren, aaneengegroeide takken of andere afwijkingen.

Hoe gering de kans van slagen ook schoen te zijn, tocli werd het gezochte gevonden. Onder een honderdtal soorten bleek er één mutabel te zijn en spoedig kon besloten worden, alle andere proeven te staken en alleen deze plant zoo grondig mogelijk te bestudeeren.

I)e bedoelde plant was Oenothera Lamarekiana, een soort van Amerikaanschen oorsprong, die hier en daar in ons land wild geworden is, even als vroeger de beide andere Teunisbloemen, Oenotliera biennis en muricata, die thans op onze duinen algemeen zijn. De O. Lamarekiana, of Groote Teunisbloem, munt door hare prachtige groote bloemen boven de beide andere soorten uit; komt overigens met deze zeer nauw overeen. Zij werd door Lamarck het eerst beschreven en wel als O. grand ifiora, doch onder dezen naam zijn nog een aantal andere soorten van Oenothera bekend. Seringe noemde haar O. Lamarekiana, en sedert heeft zij dezen naam behouden.

Zij is bij ons de zeldzaamste, komt hier en daar in de duinstreek, bij Zandvoort en elders voor, en verder op enkele plaatsen in het Gooiland. Het is een fraaie, rijk vertakte plant, die niet zelden manshoogte bereikt. Zij heeft een rechtopgaanden stam, die omgeven is door een krans van lagere opstijgende stengels en die zelf een grooter of kleiner aantal zijtakken draagt. Bijna al die stengels en takken dragen een kroon van bloemen; groot, glinsterend en geel, trekken zij van verre het oog. De bloemen openen zich 's avonds, kort

Sluiten