Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te voorschijn, zooals op de afbeelding in Deel III op blz. 16 te zien is.

Wat er nu verder geschiedt, verschilt naar gelang van de soort dezer Wieren. Bij 't geslacht Saprolegnia vertoonen de afzonderlijke, vaneengescheiden protoplasten na hun uittreden uit de buis twee wimperharen, waarmee zij dadelijk wegzwemmen, zooals op genoemde afbeelding op blz. 16 in Fig. 7 te zien is: bij het geslacht Achlya daarentegen groepeeren zich de te voorschijn dringende, rond geworden protoplasten vóór de opening van de buis tot een rond klompje, zooals aldaar Fig. 1 tot 4 doet zien en hebben zij in 't begin geen wimperharen. Zij krijgen daar een dunnen wand, waarin ze zich hullen, waarschijnlijk uit cellulose bestaande, maar blijven niet lang in dien toestand. Heeds na eenige uren sluipen zij uit dat omhulsel, hebben nu een boonvormige gedaante aangenomen en zijn ook van wimperharen voorzien, waardoor ze in staat zijn. zich zwemmend door het water te bewegen. Dat rondzwemmen duurt betrekkelijk niet lang. Op een of ander punt aangeland, verliezen zij de wimperharen, omgeven zich met cellulose, worden tot uitgangspunten voor nieuwe planten en deze moeten noodzakelijk als jonge plantjes, langs vegetatieven weg ontstaan, worden opgevat.

Een dergelijke wijze van vermenigvuldiging komt voor hij de Chytridiaceeën. Ook deze hebben geen chlorophyl; maar toch zijn het geen rottingsplanten zooals de moeste Saprolegniaceeën, doch echte woekerplanten. Zij gebruiken in hoofdzaak groene waterplanten als voedsters, dringen in de cellen daarvan binnen, dooden en verteren het protoplasma, daar aanwezig, en ontwikkelen dan dikke, zich boven de voedsterplanten verheffende buizen, welker protoplasma zich splitst in talrijke, ronde gedeelten. De buizen gaan op den top open, nu eens door het oplichten van een bepaald deksel, dan weer door 't vervloeien van een klein gedeelte van den celwand, waardoor een gat ontstaat, waaruit de afzonderlijke protoplasten als nieuwe zelfstandige deelen worden afgescheiden. (Zie de afbeelding in Deel III op blz. 16 in Fig. 5). Na het naar buiten komen is elk zelfstandig wordend deel een bolvormig of eivormig protoplasmaklompje met een enkelen langen wimper. Schijnbaar wordt die lange wimper als een staart achternagesleept, in werkelijkheid dient hij als hulpmiddel voor do zwemmende beweging, die bij vele soorten in een huppelen en springen overgaat. Met betrekking tot de Vaucli eriaceeën en Sphaerel la's kan hier, om herhalingen te vermijden, gewezen worden op de beschrijving van 't ontstaan van nieuwe, zelfstandige deelen bij die lage planten, zooals zij in Deel I op blz. 35 en 39 is te vinden.

Over 't geheel genomen, is, zooals reeds werd gezegd, het ontstaan van zulke „alleggers", die zelfstandig in het water rondzwemmen en geschikte punten ter nieuwe vestiging opzoeken, beperkt tot een zeer kleinen kring van waterplanten. Veel menigvuldiger zijn die, welke na van hun plaats van ontstaan te zijn losgeraakt, door de stroomingen van het water passief worden meegevoerd, en zonder er zelf een grooten invloed op uit te oefenen, op 't een of ander verwijderd punt worden afgezet. In de eerste plaats moeten van zulke waterplanten de draadvormige, groengekleurde Algen

Sluiten