Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door den wind worden verspreid, om aldus elders nieuwe planten te vormen, zijn betrekkelijk zeldzaam. Een opmerkelijk geval wordt hiervan waargenomen bij de |ook ten onzent in vochtige heidevelden soms voorkomende | Lycopodium selctgo, de Dennen Wolfsklauw, waarvan een afbeelding \ooikomt in Deel III op blz. 539 in Fig. 2.

De genoemde, in de bergstreken op het noordelijk halfrond in de Oude en de Nieuwe Wereld en wel hoog naar het Noorden tot in Groenland verspreide Lycopodium vormt in de oksels van hare stijve, donkergroene bladeren, en wel vooral in de buurt van den top der loot, knoppen, die men op het eerste gezicht voor kleine gevleugelde vruchten zou kunnen houden. Aan elk dier knoppen ziet men beneden 5 of fi kleine, schubvormige blaadjes; daaiop volgen twee kleine, tegenover elkander geplaatste, langwerpige, verdikte blaadjes, die zich zóó hebben gedraaid, dat hun bladschijven in één vlak komen te liggen, en daarboven volgen nogmaals twee tegenoverstaande, den top der as tusschen zich latende, dicht aaneensluitende kleine blaadjes. De beide groote vleugelvormige blaadjes van den knop zijn aan den éénen kant uitgehold en op de andere zijde gewelfd, bieden den wind een goed aangrijpingspunt en vormen een vlieginrichting. Zoodra de knop geheel volgroeid is. laat zij boven de kleine schubjes aan den voet los, schuift hij schudding van de hem dragende loot wat naar voren en hangt los tusschen de punten der stijve, groene bladeren van de toploot. Blaast nu de wind over een met deze Wolfsklauw bedekt terrein, dan worden de lichte, losse knoppen als kaf verstrooid, komen op het eene of andere in de buurt zijnde rotsterras te land, zetten zich daar vast, en ieder van hen groeit uit tot een nieuwe Lycopodiumplant.

Juist als Lycopodium selago gedragen zich ook de Noordamenkaansche Lycopodium lucidulum, reflexum, Haleakala, serratwnen erubescens, en het is niet onwaarschijnlijk, dat ook nog eenige andere verwante soorten op dezelfde wijze

zich vegetatief vermenigvuldigen.

Wat de andere Vaatcryptogamen aangaat, moeten wij in t bijzonder de Varens vermelden. Afgezien van die Varens, welke even als de IMiane-

r o ga me n Cardawine uliginosa, Bryophyllum calicinum, Tolmieia Menziesii en

andere knoppen op de bladeren vormen, en die op blz. 37 en volgende van Deei, 111

besproken en met afbeeldingen verduidelijkt werden, zijn er ook Varens, aan welker veêren afleggers ontstaan, die van hun plaats van oorsprong losraken en afvallen en eerst wortelslaan en tot nieuwe individuen uitgroeien, nadat ze een nieuwe plaats van vestiging hebben gekozen.

Daarvan kunnen wij hier als voorbeelden noemen Cystopteris bvlbifera en Fhegopteris sparsiflora, een soort van Beuk var en, op achterstaande afbeelding in Fig. 1 tot 9 voorgesteld. De eerste ontwikkelt aan den voet der blaadjes, d. i. der onderdeden van de veeren, op de middelnerf bolvormige knopjes, die afvallen en zoodra ze wortel hebben gevat, uitgangspunt worden van veeren, zooals op genoemde afbeelding in Fig. 2 tot 8 te zien is. De laatstgenoemde Varen, Fhegopteris, ontwikkelt aan de deelen van de veêr verdikte, korte loten

Sluiten