Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

levendig aan sommige Cactussen. I)e vleezige, bijzonder sterk verdikte, cylindeivormige takken zijn door dunnere deelen met elkander verbonden, en de geheele plant ziet er uit, alsof men haar hier en daar met bindtouw had ingesnoerd. Zijn de bladeren afgevallen, dan maken de planten bijna den indruk van een ledepop. De dunne stengeldeelen, waardoor de afzonderlijke, cylindervormige, zware takken met elkaar zijn verbonden, breken reeds bij geringe drukking af, en vooral de bovenste spruiten kunnen gemakkelijk door den wind worden geknakt.

Het breken der verbindingen op de plaatsen van insnoering heeft echter het neervallen van de takken op den grond ten gevolge. Staat de plant op een helling, dan rollen de afgevallen cylinders zoo ver naar beneden, tot ze door een vooruitspringenden steen of het een of andere voorwerp van welken aard ook, worden tegengehouden. Tot rust gekomen, ontwikkelen de spruiten daar, waar zij den grond raken, talrijke wortels, terwijl aan den tegenoverliggenden kant nieuwe zijtakken te voorschijn komen, zooals de afbeelding van Kleiniet nrticulata op blz. 209 aantoont. Wij moeten er hier op wijzen, dat zich bij deze soort de wortels niet zelden beginnen te ontwikkelen, vóór de takken afgebroken en afgevallen zijn en wel altijd aan den naar den grond gekeerden kant van de cylindervormige loten, zooals ook op de afbeelding te zien is.

In de besproken gevallen raken de afleggers door den wind van hun moederplant af. Bij dezen vorm van losmaking en verspreiding sluit zich een andere aan, waarbij luchtstroomingen als drijfkracht niet in aanmerking komen, en waarbij het losgaan en de verspreiding der tot zelfstandigheid geroepen deelen door een snelle wisseling in den vochtigheidstoestand der weefsels, door opzwelling en door verandering van den turgor worden teweeggebracht. Verscheiden zwammen uit de groep der Feronosporaceeën, onder andere de onwelkome gast, die op Aardappelplanten verschijnt en de kwaal der aardappels, de Aardappelziekte, veroorzaakt en den naam Phytophthom infestans draagt, vermenigvuldigen zich door sporen, die ontstaan aan fijne, uit de huidmondjes der voedsterplant te voorschijn komende hyphendraden. Die draden vertakken zich vorksgewijze, en het eind van eiken tak zwelt aan tot een spore. Beneden deze spore vormt de hyphe, die tot steel dient, weer eene uitstulping, rekt zich, groeit omhoog en dringt de spore op zij. Het resultaat van dit zich telkens herhalende verschijnsel is, dat er eindelijk een voorwerp ontstaat, dat op een klein, sterk vertakt en aan de takken met eivormige vruchten behangen boompje gelijkt.

De hyphentakjes, waaraan hier bij Phytophtom de sporen als vruchten zijn bevestigd, zijn in vochtige lucht cylindervormig, stijf en opgezwollen, in droge lucht, vooral als de sporen rijp zijn, worden ze lintvormig, draaien spiraalsgewijs 0111 hun as en maken bijna den indruk van de cellen der katoendraden. Ze zijn buitengewoon hygroscopisch, en de minste of geringste verandering in den vochtigheidstoestand van de hen omringende lucht is voldoende, om de schroefbewegingen te vermeerderen of te verminderen. Keeds als men erop ademt, ziet men veranderingen in de draaiing plaats hebben, en als er nu een sterke en

Sluiten