Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ze liet darmkanaal der dieren waren gepasseerd, nog levenskrachtig waren of niet.

Te dien einde werden vruchten en zaden van 250 verschillende plantensoorten gebruikt en de volgende dieren ermee gevoederd. Van vogels: merel, zanglijster, roode rotslijster, roodborstje, torenkraai, raaf, notekraker, sijsje, distelvink, geel sijsje, mees, goudvink, kruisbek, duif, kip, kalkoen en eend; van zoogdieren: marmot, paard, rund en zwijn. De met het oog op de aanwezigheid van zaden onderzochte uitwerpselen werden na elke voedering afzonderlijk te kiemen gelegd. Gelijktijdig werden in een ander kiembed vruchten en zaden van dezelfde plant, die echter niet tot voedering hadden gediend, ter controle uitgezaaid. Het is hier niet de plaats, de vele voorzorgsmaatregelen uiteen te zetten, die buitendien nog voor deze moeilijke proeven noodzakelijk waren, en ik bepaal er mij toe, de bij 520 afzonderlijke proeven verkregen

belangrijkste resultaten mee te deelen.

Wat de zoogdieren betreft, kan ik kort zijn. Bijna alle door deze dieren goedschiks als voedsel opgenomen of in hun voedsel binnengesmokkelde vruchten en zaden werden i»f reeds bij het eerste kauwen üf bij 't herkauwen vernield. Van de uitwerpselen van het rund waren wel is waar eenige, aan de verwoesting bij 't herkauwen ontsnapte gerstekorrels ontkiemd, en dit was mede het geval met zeer enkele boonen en havervruchten uit de uitwerpselen van het paard, terwijl in die van het varken zaden van Cornus ctM, ltipporhamnoïde», Liyuxtrum rul,,are, Muien crhpa, Raphanus satims en Robmm pmidacacia, kiemkrachtig waren gebleven en dan ook waren ontkiemd, maar het aantal dezer ontkiemde zaden was in vergelijking met het aantal der gevoederde kiemkrachtige zaden niet noemenswaard, en de vruchten en zaden van ongeveer 00 andere plantensoorten hadden alle op den weg door het darmkanaal hun kiemkracht totaal verloren.

De vogels kunnen met het oog op de ons hier bezighoudende vraay in drie groepen worden verdeeld. Ten eerste in die, welke alle, ook de hardste vruchten en zaden in hun gespierde, met wrijfplaten toegeruste en gewoonlijk ook met zand en kleine steentjes gevulde maag vennorselen, en waarvan enke e reeds bij het grijpen de vruchten en zaden ontbolsteren en te gronde richten. Tot deze groep behooren van de proefdieren de kalkoen, de kip, de duif, de kruisbek, de goudvink, de distelvink, hot sijsje, 't gele sijsje, de mees, de notekraker en de eend. In de uitwerpselen van deze dieren vindt men in gewone omstandigheden geen enkelen kiemkrachtigen zaadkorrel, alleen bij de eenden en de kip, die eenige malen het voer gedwongen tot zich moesten nemen, bij welke gelegenheid hun maag wel overladen kan zijn, bevonden zich in ce uitwerpselen eenige niet vermalen, kiemkrachtige zaden, namelijk van Areiwnu *erpyllifolia, Fijnbladig Zandkruid; Papaver rhoeas, Gemeene klaproos; Sisynibrium «ophia, Fijnbladig liaket; Ribes rubrum, Ho ode Aalbes; Ligustrum vulgare, Liguster; Fragaria indica e. a.

Een tweede groep vormen de raven en torenkraaien, bij wie de steenen en de zaden met harde schalen van de als voedsel opgenomen vleezige vruchten onbeschadigd het darmkanaal passeerden, terwijl de zaden en vruchten met

Sluiten