Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'8

. , hovoetimnff aan het kiembed en ter bevorderin

emaeuiK ai» uuuucicu w* ^—0---o #

de ontkieming eene rol spelen. Dat ook inrichtingen, die tegelijk geschikt zijn voor de verspreiding der vruchten en zaden door den wind, door het water en door de dieren, niet tot de zeldzaamheden behooren, volgt wel uit het ovei

haarkronen en haarpluis meegedeelde.

Van hooge beteekenis is ook de waarneming, dat de meeste, ja, waarschijnlijk alle Phanerogamen een dubbele soort van verspreiding hunner vruchten en zaden vertoonen, ééne, die berekend is op grootere afstanden en eene andere, die zich tot de naaste omgeving van de moederplant beperkt. De eerste manier kan plaats hebben en heeft ook feitelijk plaats oP groote schaal, maar zij is afhankelijk van het optreden van gebeurtenissen in de omgeving, waarop de plant zelve geen invloed heeft. Zij kan dus in bepaalde omstandigheden uitblijven of met andere woorden, de verspreiding op groote afstanden kan plaats hebben, maar gebeurt niet noodzak elijk altijd.

Zooals de beste machine stilstaat, wanneer hare raderen niet door eenen van buiten komenden stoot in beweging worden gebracht, zoo is ook de vorming van de beste vliegtoestellen en de stevigste weerhaken nutteloos, wanneer in den tijd der rijpheid van de gevleugelde vruchten voortdurend windstilte heerscht, of wanneer de voorbijgaande dieren uitblijven, die voor de verspreiding der aanhakende vruchten moeten zorgen. De verspreiding over geringe afstanden heeft daarentegen steeds plaats, als niet reeds een verspreiding over grootere afstanden is voorafgegaan. Wanneer de rijpe vruchten van den Ahorn niet door een krachtigen windstoot over wijde uitgestrektheden worden gedragen, laten ze eindelijk vanzelf los en vallen dwarrelend op den grond, ,n de naaste omgeving van den boom, aan welks takken ze zijn gerijpt. Wanneer het uitspuiten van de zaden uit de vruchten der Springkomkommer door de aanraking van een voorbijgaand dier wordt veroorzaakt en de uitgespoten zaden aan de huid van het dier blijven kleven, kan verspreiding plaats hebben over mijlen en mijlen; maar als de standplaats der Springkomkommer op den tijd, als de vrucht rijp is, door geen dier wordt betreden worden de zaden vanzelf uitgespoten, en de op die wijze bereikte verspreiding bepaalt zich tot een afstand van enkele schreden. Als de op gedraaide, kurketrekkervormige stelen «redragen vruchten en zaden van Cyclamen, waarover op blz 274 werd gesproken, niet door dieren versleept worden, blijven ze in de onmiddellijke nabijheid van de moederplant op den grond liggen, en de zaden gaan ook daar ontkie™""

Deze voorbeelden, die nog met vele andere vermeerderd zouden kunnen worden, toonen aan, dat het met de inrichtingen ter verspreiding der vruchten en zaden evenzoo is gesteld als met de inrichtingen, die de bestuiving ten doel hebben, zooals op blz. 4Ö6 en volgende van Deel III is besproken. Elke plantensoort heeft in haar bloemen inrichtingen, die kruisbestuiving bevorderen, dat is bestuiving met het stuifmeel van een andere soort of ten minste van een andere plant. Hebben deze inrichtingen geen gunstig resultaat ten gevolge, t an komen andere inrichtingen tot hun recht, die een bestuiving der bloemen met

Sluiten