Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de verspreiding en verdeelirsu dfck auunita.

soorten De hier en daar ertusschen gestrooide kunnen, zoowel van de het sterkst vertegenwoordigde als onderling, groote verschillen vertoonen. Een der meest voorkomende redenen van dergelijke vormverschillen is, dat de hier en daar ertusschen gesprenkelde leden van de gemeenschap op verschillende tijden knoppen, bloemen en vruchten dragen, en dat de eene soort zich heeft gevoegd naaide 'omstandigheden der lente, de andere naar die van den zomer en een derde

naar die van den herfst.

Ook komt het voor, dat de buren door den verschillenden vorm van hunne

stengels, bladeren en bloemen elkander wederkeerig zekere diensten bewijzen. Wanneer eene soort aan de andere te rechter tijd de noodige schaduw biedt, wanneer zij haar tot steun dient bij 't klimmen, wanneer de eene soort dooide andere tegen den wind wordt beschut, wanneer door het contrast van de kleuren der bloemen van in de buurt staande soorten het bezoek van insecten begunstigd schijnt, of wanneer de buren op een andere manier elkander wederzijds helpen en steunen in 't leven, dan is dat niet alleen geen nadeel voor de gemeenschap, maar het draagt werkelijk iets bij tot de veiligheid en de instandhouding van het geheel. Op den totaalindruk, dien een gemeenschap maakt, hebben overigens de verschillen der tusschengesprenkelde soorten geen wezenlijken invloed. Het uiterlijk voorkomen van een plantengemeenschap hangt alleen van de den toon aangevende, op den voorgrondtredende soorten af. Deze zijn het, welker eigenaardige stempel wordt overgebracht op de geheele gemeenschap en zij bepalen den totaalindruk ervan.

Voor het wetenschappelijke vaststellen, indeelen en benoemen der gemeenschappen is dit feit zeer belangrijk en zelfs beslissend. De in groepen voorkomende, toonaangevende soorten moeten niet alleen uitgangspunt en grondslag zijn bij de beschrijving der afzonderlijke gemeenschappen, maar hun uiterlijk voorkomen is ook het belangrijkste uitgangspunt bij de rangschikking der vele verschillende gemeenschappen, die zich in de tegenwoordige periode der ontwikkeling van onzen aardbol, tot groepen van een gelijksoortig aanzien hebben gevormd. Lange jaren volgehouden, ijverige studie in de vrije natuur leidde tot de samenstelling van de volgende negen groepen.

1. Bosschen. Hierin zijn toonaangevend de gewassen met rechtopstaande stammen, in Deel II op blz. 439 en volgende besproken. In de gewone voorstelling, die men zich van een bosch maakt, moeten de stammen, die den onderbouw vormen, tot op een bepaalde hoogte tak- en bladerloos zijn. Keikt deze hoogte niet ver boven manslengte, dan spreken de Duitschers van een „Busch wal d" of „Busch", zijn echter de rechtopgaande stammen tot op aanmerkelijke hoogte tak- en bladerloos, dan noemen ze de plantengemeenschap een „Hardtwald" of „Hardt". Men zou de beide vormen ook laag- en hoogbosch kunnen noemen, als die beide namen niet bij de boschcultuur reeds lang een andere beteekenis hadden gekregen, en als niet de omstandigheid ertegen pleitte, dat ook de hoogbosschen in hun eerste ontwikkelingsjaren eens laagbossehen zijn geweest. Als de bestanddeelen van het bosch zoo dicht

Sluiten