Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scheidde bepaalde „kransbloemen", die in de verschillende jaargetijden in't wild konden worden geplukt, zoo bij voorbeeld in het voorjaar Anemonen, Anemone ccronaria; later Hyacinten, waaronder men toen, zooals reeds gezegd, Gladiolus byzantinus verstond; verder lliym, Thymus; Ridderspoor, Delphinium; Kooltje Vuur, Adonis; en Agrostemma corona r ia, de zoogenaamde Prikneus, thans meest als Lychnis coronaria aangeduid. In den laten zomer en herfst Immortellen, Heliclirysum Stoechas; Teucrium marum, Rosmarijn; Asters, en vooral, wel bijna het geheele jaar door, Violen en Rozen.

Men had afzonderlijke Violen- en Rozentuinen, om in de groote behoefte aan deze bloemen te voorzien, waarbij echter moet worden opgemerkt, dat de Viola van de Latijnen of Ion van de Grieken niet, zooals gewoonlijk wordt aangenomen, ons Viooltje, maar de bloem is, die wij tegenwooulig Leukooi noemen, n.1. onze Zomerviolieren, Cheiranthus annuus. Het verbiuik van Kozen tot sieraad bij gastmalen ontaardde onder de prachtlievende Romeinsche keizers tot een aan het fabelachtige grenzend weeldevertoon. Schepen, geheel met rozen beladen, voeren van Paestum naar Home, ja zelfs uit Egypte lieten Nero en Heliogabalus in den winter rozen halen, en de bloemen voor een enkel feest kosten soms meer dan een ton gouds.

Het gebruik van de kransen der Grieken en Romeinen was merkwaardigerwijze in het Oosten volkomen onbekend. Bij Perzen en Assyriers, en eveneens, zooals wij zeiden, bij de Egyptenaren werden nooit kransen van bladeren of bloemen als sieraad in het haar gedragen, maar enkel gouden banden als teeken eener waardigheid, of parelsnoeren, kettingen met edelgesteenten, alsook witte en gekleurde stoffen. Bij de Arabieren, die, hetzij terloops gezegd, niet eens een woord voor bloemkrans hebben, was de tulband zeker wel een beletsel voor dezen vorm van versiering met frissche bladeren en bloemen.

De zoo algemeene aanwending van den krans, die wij bij Grieken en Romeinen aantreffen, is echter ook in het Westen, na het verval van 't Romeinsche Rijk, veel verminderd en heeft zich bij ons bijna alleen bij kerkelijke plechtigheden, als bruidskrans, lijkkrans en als symbool in de kunstwereld in stand weten te houden. In den Renaissancetijd trachtte men wel kransen als versiering van het hoofd bij profane gelegenheden weer in eere te brengen, en in feestelijke optochten verschenen ook „kransjonkvrouwen", die kransen in de hand droegen, maar de bouquet, die toch in schilderachtige werking ver achterstaat bij den nu eens in de hand dan hangend aan den arm gedragen krans, heeft den laatste bijna geheel verdrongen, hoewel de vrije, sierlijke beweging der armen door de veelal gebruikelijke ruikers van kolossalen omvang gehinderd wordt.

Evenals de krans dateeren ook de tut kettingen verbonden bloemen, bladeren en vruchten, de festons en guirlanden, uit den oudklassieken tijd en zijn van Hellas uitgegaan. Er werden altaars en tempels mee versierd, zuilen en staven werden ermee omwonden. Zoo is bijvoorbeeld de op den top met een dennekegel afgesloten thyrsusstaf versierd met een guirlande van klimopbladeren. Dat ook bij de Egyptenaren deze vorm der versiering niet geheel onbekend was, blijkt hieruit, dat meu mummiën heeft gevonden, die geheel

Sluiten