Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lang gesteeld met behaarde bladstelen, zijn gaafrandig en hebben korte, gaafrandige scheeden.

De bloemen zitten in kleine hoopjes van 2-6 in de bladoksels. De bloemstelen zijn kaal, korter dan het vruclitbloemdek en dicht onder dit geleed.

Het bloemdek is groen, aan den rand en van binnen wit of lichtrose, de buitenste bloenidekslippen zijn stomp gekield. Meeldraden zijn er 8 met violette helmknopjes en verder 3 knopvormige stempels. De vrucht is 3'/« mM lang, rimpelig gestreept, zwart, driekantig en zeer nauw omsloten door het eerst dofgroene, ten slotte gele bloemdek. O. 7 cM—9dM. Juli—Herfst.

De var. /S. subalatum ') Lej. et Court. met smalgevleugeide buitenste bloemdekslippen is zeldzaam gevonden, de var. y. triangularis -) de Br. met driehoekige, buitenste bloemdekslippen is bij Weerdinge en Hilversum gevonden.

Biologische bijzonderheden. De plant is rechts

windend (zie de hop). De stengelkanten, die bij het draaien van den stengel zelf schuin loopen en de stijve rugwaarts gekeerde borstels, dienen om den stengel steviger om het voorwerp, waarom hij zich windt, te bevestigen.

De bloemen vallen weinig op. Er is dan ook weinig insectenbezoek. De bloemen zijn op spontane zelfbestuiving aangewezen, daar de helmknopjes en stempels te gelijk rijp zijn en elkaar wel eerst niet aanraken, doch later door het ombuigen der helmdraden naar binnen wel.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt door geheel Europa op bouwland, tusschen kreupelhout en in heggen voor en is bij ons algemeen.

Volksnamen. De plant is in het Oosten van Gelderland bekend als beerbende of beerbinde en in vele streken als wilde boekweit, in Groningen heet zij windom.

P. dumetórum-1! L. Heggeduizendknoop. (Fig. 87).

Deze plant komt in uiterlijk veel niet de vorige overeen, doch onder¬

scheidt zich, doordat de buitenste bloemdekslippen vliezig gevleugeld zijn en de vruchten glanzend zijn.

De stengel is windend, fijngestreept, kaal, vaak aan eene zijde rood.

De bladen zijn gaafrandig, glad, toegespitst en komen uit korte, bruinachtige, gaafrandige scheeden.

De bloemstelen zijn eveniang als het vruclitbloemdek , onder het midden geleed. De buitenste bloemdekslippen zijn aan den kiel doorschijnend vliezig gevleugeld, met boven afgeronde, beneden langs den bloemsteel afloopende vleugels. Meeldraden zijn er 8 met witte helmknopjes, ook zijn er 3 stempels.

') subalatum — bijna gevleugeld. *) triangularis = driehoekig. ') dumetórum = wildernis

jryij;;uuam uulïuiv.uls

Fig. 86.

Polygonum dumetórum

Fitf. 87.

Sluiten