Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De vrucht is 3 mM lang, glad en glanzend, omgekeerd hartvormig. Overigens komt zij met P. Convolvulus overeen. O. 6-15 dM. Juli—Herfst.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt vooral in MiddenEuropa in heggen en kreupelhout voor en is bij ons algemeen.

P. cuspidatum ') Sieb. et Zucc. (fig. 88).

De plant heeft een sterk vertakten wortelstok, waaruit vele tot over 2 M hooge stengels komen, die stijf rechtopstaand en rijk vertakt zijn. De leden ziin met klpino

3. Fagopy'ru m 3) Trn. Boekweit.

Bloemdek 5-deelig, bloemkroonachtig, met gelijke, aan de vrucht niet vergroote slippen. Meeldraden 8. Vruchtbeginsel omgeven door een klierring. Stijlen 3. Vrucht driekantig, uit het bloemdek stekend. Kiem binnen

het melige kiemwit liggend, met zeer breede, vlakke, veelvuldig samengevouwen zaadlobben.

Plant kaal. Stengel rechtopstaand, meest vertakt , sappig. Bladsteel aan den voet der korte, scheef afgeknotte, ongewimperde tuitjes uit deze gaand. Bladen glanzend, driehoekig-hartvormigof iets spiesvormig, vaak toegespitst, de bovenste kortgesteeld. Bijschermen in de oksels van schutbladen, schijntrossen vormend. Bloemen vrij groot.

Tabel tot het determineeren der soorten van het geslacht Fagopyrum.

A. Vrucht met scherpe, gaafrandige kanten.

F. rseulenturii blz. 86.

B. Kanten der vrucht stompachtig, iets getand.

F. fj«f31 PWMini KI7 UU

F. escuientumMnch. (Polygonum Fagopyrutn L.) Boekweit. (Fig. 89).

') cuspidatum = gespitst. ') van het eiland Sachalin. <) van fagus: beuk en purostarwe en heeft betrekking op de overeenkomst der vrucht met de beukenootjes, hierop slaat ook de Nederlandsche naam. •) esculentum = eetbaar

veriaKi zijn. ue leden zijn met kleine roode klieren bezet, doch overigens kaal. De bladen zijn breed eirond, hebben korte gekromde stelen, zijn aan den voet breed afgesneden, kort toegespitst, van boven verdiept, van onderen verheven netvormig geaderd met krachtige middennerf. De tuitjes zijn gaaf en loopen in een doornige punt uit.

De bloemen staan in losse, aarvorinige bloeiwijzen in de oksels der bovenste bladen, zij zijn gesteeld, met lang trechtervormig, wit bloemdek met 8 meeldraden. Augustus, September.

Voorkomen. De plant is afkomstig uit Oost-Azië en wordt in tuinen gekweekt. Zij is bij Amersfoort, Monster en Rotterdam verwilderd gevonden.

P. sachalinénse !) F. Schmidt.

De plant heeft zeer dikke stengels. De bladen zijn breeder en langer dan bij P. cuspidatum (tot 2 dM lang), zij zijn kortgesteeld, eirond of eirondlangwerpig met bijna hartvormigen voet, van onderen

meest blauwgroen

Polygonum cuspidatum. De bloemen zijn witachtig en staan in eindelingsche

FiR' 88' en okselstandige samengestelde trossen, die korter

zijn dan de bladen. De schutbladen zijn lang en toegespitst. 2-4,5 M. September, October.

Voorkomen. De plant is afkomstig van het eiland Sachalin, wordt bij ons als sierplant gekweekt en is bij 's-Gravenhage verwilderd gevonden.

Fagopyrum esculeatum

Fig. 89.

Sluiten