Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De onderste bladen zijn eirond of ruitvormig, plotseling in een steel versmald, iets vleezig met weinig verdikte nerven, de hoogere bladeren naderen meer tot laneetvormig.

De bloemen hebben 2 lancetvormige stempels. De vrucht is vrij groot, de slippen van liet bloemdek liggen er tegen aan. of ©O. 3—8 dM. Juni—September.

Voorkomen in Europa en in Nederland. Daar B. maritima de stamvorm van B. vulgaris is en deze aan de Zuid-Europeesche kusten inheemsch schijnt te zijn, zullen de opürken bij Zwijndrecht gevonden planten, die kruipende of liggende stengels en een veelhoofdigen wortel hebben, waarschijnlijk wel uit zaad van gekweekte exemplaren ontstaan zijn, die tot ■den stamvorm zijn teruggegaan.

0. Npinacia ') Trn.

Fig. 118.

Vruchten van Spinacia oleracea.

Planten 2-huizig. Mannelijke bloemen met 4-, zelden 5-deelig bloemdek en 4 of 5 meeldraden, die aan den voet van het bloemdek zijn ingeplant.

Vrouwelijke bloemen met een 2-4-tandig bloemdek, en een vruchtbeginsel met 4 draadvormige, lange stempels. Vrucht omgeven door het verharde bloemdek , waarvan de tanden meest tot stekels zijn uitgegroeid (fig. 118 a, b). Zaad rechtopstaand met naar beneden gericht worteltje.

Bladen verspreid. Bloemen in gaffelvormig beginnende bijschermen, die kluwens vormen, zittend, zonder schutblaadjes. De kluwens vormen bij de mannelijke planten afgebroken, onbebladerde, eind-of okselstandige schijnaren, doch staan bij de vrouwelijke onmiddellijk in de bladoksels.

S. oleracea -) L. Spinazie. (Fig. 119).

De plant is kaal, onbestoven, heeft een spilvormigen wortel en een rechtopstaanden, gegroefden, hollen stengel, die

al of niet vertakt en dicht opeenstaand bebladerd is.

De bladen zijn langgesteeld, de onderste en middelste 3-hoekig pijlvormig of langwerpigeirond (zoo het meest bij de var. 3. glabra), iets spits, gaafrandig of getand, de hoogere zijn langwerpig met wigvormigen voet.

De bloemen zijn groenachtig. OO of O. 3-4,5 dM. Juni—September.

De var. ,5. gldbra ') heeft vruchten, waar omheen het bloemdek niet in stekelige tanden uitloopt. (Fig. 1 '.9).

Voorkomen. De plant is bij ons een enkele maal verwilderd gevonden, hetgeen niet te

verwonderen is, daar zij algemeen als groente gekweekt wordt. Zij is inheemsch in het Oosten en in het binnenland van West-Azië en is waarschijnlijk door de Kruisvaarders meegebracht en sinds dien tijd gekweekt. Men hield vroeger de var. glabra voor een afzonderlijke soort, terwijl S. oleracea toen S. spinosa heette, doch zij schijnt niet zaadvast te zijn.

Spinacio oioracet»

Fig. 119.

') van 't Latijnsche spina: doorn, naar de stekelige tanden van het bloemdek, dat de vrucht omgeeft. *) oleracea = als groente te gebruiken. ) glabra — onbehaard.

Sluiten