Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Atriplcx hortense Fig. 122.

A. hortense ') L. Tuinmelde (fig. 122).

De plant is groen en onbehaard en heeft een rechtopstaanden, stomp kantigen stengel, die vertakt is met rechtopstaande takken.

De bladen staan verspreid, zijn een weinig blauwgroen of soms roodachtig. Zij zijn dof, aan weerszijden bijna gelijk

van kleur. De onderste zijn groot, hartvormigdriehoekig, iets spits, gaafrandig of zwak getand, de middelste langwerpig met een spiesvormigen voet.

De bloemen zijn groen, zeer klein, zeer kort gesteeld en staan in eindelingsche en okselstandige trossen, die samen een groote pluim vormen. De vrouwelijke bloemen zijn ten deele zonder schutblaadjes, met een 3-5-deelig bloemdek en horizontale zaden, ten deele met netaderige, rondachtig-eironde schutblaadjes, zonder bloemdek en met rechtopstaande zaden. Deze laatste zaden ziin 2-erlei: ten deele ziin zii

j j j

grooter, stomprandig, geelbruin, met hoornachtig kiemwit, ten deele zijn zij kleiner, scherprandig, zwart, met melig kiemwit.

De vruchtstelen zijn even lang als de vruchten.

De schutblaadjes en de vruchten zijn iets grooter dan bij A. nitens, ook bloeit de plant iets vroeger. O. Soms langer dan 1 M. Juli—September.

Voorkomen in Europa en in Nederland.

L»e plant behoort thuis in Midden-Azië, doch is bij ons, vooral vroeger, wel gekweekt als groente, doch tegenwoordig door de spinazie verdrongen. Vrij zeldzaam is zij verwilderd gevonden.

De var. atrosanguinea Hort. wordt nu nog als sierplant gekweekt.

Volksnamen. Bij Steenwijk heet de plant wilde spinazie, bij Apeldoorn luizenmelde.

A. nitens '-1) Schk. Glanzende melde (fig. 123).

Deze plant heeft een rechtopstaanden. al of niet vertakten, gladden, doch gestreepten, groenen stengel.

De bladen zijn gesteeld, van boven glanzend, van onderen grijs- of witsehilferig, de onderste en middelste in omtrek driehoekig-eirond of langwerpig, toegespitst, met afgeknotten of bijna spies-hartvormigen voet, hoekig getand of gaafiandig. De bovenste zijn langwerpig-lancetvormig, meest ook spiesvormig, vaak gaafrandig. De bloemen vormen schijnaren, die tot een losse pluim vereenigd zijn. De bouw der vrouwelijke bloemen en der zaden is geheel als bij A. hortense. De schutblaadjes zijn stomp,

iets snits nf tnPfTpcnitct imnfrnn/lwr 7nn<lnr cfnkolo

w. lutgca^nai, kctciu tmiuii; , zunutm mckuis- Atripiex nitens.

De vruchtstelen binnen de schutblaadjes zijn veel pit! )23

korter dan de vrucht. O 6—15 dM. Juli-September. .4 Bloemdragende stengeltop. B. Vrucht-

De plant gelijkt veel op A. hortense, maar is er,al<' '• Vruchtkelk.

dadelijk door de lichtgroen-zilverachtige kleur der bladonderzijde en door den lang uitgerekten, gaafrandigen top der bovenste bladen van te onderscheiden.

') hortense = tuin. ') nitens = glad. Heikels, Flora.

8

Sluiten