Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B. Plant overblijvend, tijdens den bloeitijd met tal van niet-bloeiendetakken. Bijschermen schijnbaar alle zijstandig. Zaden glanzig, fijn gestekeld . . . M. rivularis blz. 176.

M. minor') Gmel. Kleine montia (fig. 208).

Deze plant is kaal, geelgroen. De stengel is uitgespreid gaffelvormig vertakt, rechtopstaand of opstijgend en in de onderste knoopen wortelend. De onderste bladen zijn spatelvormig (fig. 208), met aan den voet verbreeden bladsteel, de bovenste zijn lijnvormig-langwerpig, zij zijn iets vleezig.

De bloemen staan alleen of in bijschermen in de bladoksels (in het laatste geval staan zij in den oksel van een vliezig schutblad, dat tegenover een gewoon blad staat) of staan aan den top van den stengel in kleine schijntrossen (bijschermen). De zaden zijn grof gestekeld, dofzwart, bolrond. O. 2,5-10 cM. Mei (zelden in den Herfst).

Biologische bijzonderheden. De open bloemen zijn homogaam, vaak blijven zij echter gesloten en heeft er zelfbestuiving plaats. Insectenbezoek is weinig waargenomen en geen wonder, want de bloempjes vallen door hunne kleinheid weinig

op. Merkwaardig zijn hier de verschillende standen, die de bloem achtereenvolgens inneemt. Voor den bloei is de bloemsteel gekromd, zoodat de bloem hangt, tegen den bloei richt hij zich op, om zich na den bloeitijd te verlengen en weer naar beneden te krommen, terwijl hij zich eindelijk weer opricht, als de vruchten openspringen.

De wijze, waarop de zaden uit de zaaddoozen weggeslingerd worden, verdient hier vermelding. De omgekeerd ei-bolronde doosvrucht springt met 3 kleppen van boven naar beneden open. De kleppen rollen zich met kracht naar binnen op en snijden daarbij met hunne scherpe randen de zaden los en oefenen verder een drukking er op uit. Deze drukking wordt ten slotte zoo sterk, dat de door de stekelige verhevenheden vergroote wrijving wordt overwonnen en de zaden worden weggeslingerd. Dit gebeurt circa 10 minuten na het openspringen en zij vliegen onder een hoek van 80° a 83° met den horizon weg en bereiken een gemiddelde hoogte van 60 cM, terwijl zij op een afstand van 50-80 cM, ja zelfs wel van 1,5 a 2 M den bodem bereiken.

Montia minor bewoont zandige plaatsen, die althans des winters vochtig zijn of onder water staan en verhoudt zich tot M. rivularis omstreeks als de landvormen van Callitriche tot de ondergedoken vormen Dit wordt duidelijk, als men de volgende beschrijving van M. minor vergelijkt met die der landvormen van Callitriche: Plantjes laag, uitgespreid gaffelvormig vertakt, opstijgend. Onderste bladen spatelvormig, de hoogere lijnvormiglangwerpig. O.

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant komt in geheel Europa op vochtigen zandgrond en op bouwland voor. Bij ons is zij vrij algemeen, vooral in de duinen en op het diluvium, ook op löss.

M. lairprospérma'-) Chatn. Olanszaadmontia.

Deze plant gelijkt zeer veel op M. minor, doch de plant is slap, hoewel rechtopstaand en de zaden zijn glad en glanzend. O. 8-25 cM. Mei—Juli.

Voorkomen. Zij is bij ons op vochtigen veengrond bij Apeldoorn gevonden.

') minor = klein. !) lamprosperma = glanszadig.

minor

Fig. 208.

Sluiten