Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voorkomen in Europa en in Nederland. De plant behoort inde Oostenrijksche kuststreek

™„pn en,Stru'ken ,huis en is bi' ons aan de Maas bij Boxmeer gevonden. Ook hier zullen wij wel weder met een verwilderde sierplant te doen gehad hebben (deze plant wordt nl. vaak als sierplant aangetroffen).

2. Th al ie tru m ') L. Ruit.

Kruidachtige, overblijvende planten niet een min of meer bebladerden s enge . Bladen verspreid staand, met een in een scheede uitloopenden steel, afnemend veelvoudig gevind, met van onderen bleekere blaadjes, ie vaa kleine steunblaadjes bezitten. De bloemen vormen een pluim— o scherm pluim vormige bloeiwijze, zijn klein, zonder bloemkroon, doch met een 4-5-bladigen, meestal weinig gekleurden kelk, die veelal korter is dan de lange meeldraden. Vruchtjes 4—16.

gebruikt°wordt°r P'an,Cn afdriiVend cn bcva' een «ele kleurstof, die wel in de ververij

Tabel tot het d et e rm i n ee ren der soorten van het geslacht Thalictruni. A. Vruchtjes groot, driekantig, met gevleugelde kanten, gesteeld, ongestreept. Bloemen (meeldraden) bleeklila. Helmdraden naar boven verdikt . T. aquilegifólium blz 186 Vruchtjes klein, zittend, overlangs gestreept. Helmdraden overal even dik.

a. Bloeiwijze pyramidaal of eirond. Bloemen vrij ver van elkaar, even als de meeldraden hangend. Blaadjes rondachtig of wigvormig-omgekeerd eirond. Oortjes der bladscheeden rond, stomp, vaak in slippen gedeeld . . . T. minus blz. 186

b. Bloeiwijze met bijna even hooge takken. Bloemen dicht opeenstaand, evenals de meeldraden ïechtopstaand. Blaadjes meest 3-spletig, die van de onderste bladen rond-omgekeerd eirond of langwerpig-wigvormig, die der bovenste langwerpig of lijnvormig. Oortjes der bladscheeden breeder dan deze . . T. llavnm blz. 186.

T. aquilegifólium I. Akelei ruit (fig. 218).

Uit een korten, krachtigen wortelstok komen vele ronde, krachtige, zwak gestreepte, niet ver-

idKie siengels, die evenals de bladen berijpt of onberijpt zijn.

De bladen zijn 2-3-voudig gevind, dofgroen cn kaal, met rondachtige of omgekeerd-eironde, gekartelde blaadjes en schelpvormige oortjes aan den voet der stelen. De blaadjes zijn tegenoverstaand, korter of langer gesteeld en hebben aan den voet der stelen steeds kleine, breede, stompe steunblaadjes.

De bloeiwijze is rechtopstaand en rijk vertakt. De kelkbladen zijn groenachtig, klein, langwerpig en vallen spoedig af. De meeldraden zijn in de open bloemen bolvormig uitgespreid. De vruchten zijn glad, langwerpig, aan den top toegespitst (fig. 218). 6-12 dM. Mei, Juni.

\ oorkomen in Europa en in Nederland. In Zuid-Europa groeit de plant in de bergstreken op hooge weiden en in bosschen. Zij wordt als sierplant gekweekt en is bij ons eenmaal bij Nijmegen gevonden. Dit zal wel een verwilderde sierplant geweest zijn.

T. minus ) L. Kleine ruit (fig. 219).

Van deze soort onderscheidt men in ons land 3 vormen nl. de *. dunense, de /. flexuosum en de y. silvaticum. Men kan deze als volgt onderscheiden.

«. dunense4) Prod. Stengel gestreept, rechtopstaand, aan den voet met eenige bladlooze scheeden. Blaadjes gekarteld of ingesneden naar den top en wel 3-tandig tot 3-spletig, soms 5-tandig, met van onderen uit-

-' • Lil

Thahctrum aquilegifólium

Fin. 218.

) Waarschijnlijk van liet griekscli tliallein: groen worden enictar: snel, naar den snellen groei der soorten. -') aquilegifólium beteekent akeleibladig :') minus = klein.

4) dunense = in de duinen groeiend.

Sluiten