Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Europa op vochtige, zandige en kleiachtige akkers en op plaatsen, die tijdelijk onder water gestaan hebben , voor. In ons land is zij op dergelijke plaatsen vooral op zandgrond aangetroffen , vooral nog al eens in korenvelden en ook op onbebouwde plaatsen, b.v. walletjes enz. doch steeds vrij zeldzaam. Echter is zij uit alle provinciën bekend, ook van de eilanden Terschelling en Wieringen.

6. Batiacliium 1) Winnn. Waterranonkel.

Dit geslacht onderscheidt zich van Myosurus door den korteren vruchtbodem en door den ongespoorden kelk. Met het geslacht Ranuneulus, waarmee het wel tot een wordt vereenigd , komt het overeen , doordat bij beide in de bloem 5 kelk- en meestal ook 5 kroonbladen aanwezig zijn en de bloemen steeds alleen staan , doch het wijkt er van af, doordat de Batrachiums waterplanten zijn , die witte bloemen hebben , met onbedekte honiggroefjes op de kroonbladen en na den bloeitijd omgebogen bloemstelen, terwijl de Ranunculus-soorten op het land groeien (althans bij onze inlandsche soorten), gele bloemen hebben, met meestal door een schubbetje bedekte honiggroefjes en na den bloeitijd rechtopstaande bloemstelen. Bij de Batrachium-soorten is bijna steeds de nagel der kroonbladeren geel, de bloembodem gewelfd of kegelvormig en zijn de vruchtjes dwarsgerimpeld.

Biologische bijzonderheden. De Batrachium-soorten vertoonen voorzoo verre zij in het water zijn ondergedoken, het echte type van waterplanten, door het bezit van fijn ingesneden bladen, die soms, buiten water gekomen, penseelvormig samenvallen (de varieteit penicillatum bij verschillende soorten); terwijl bij de soorten, die ook drijvende bladen bezitten, deze dadelijk den gewonen vorm der landplanten bezitten. Bij de geheel ondergedoken vormen kruipen de onderste stengelleden, terwijl zij zich menigvuldig vertakken, in den bodem. Daaruit komen de in stilstaand water vrij wel rechtopgroeiende, in stroomend water met den stroom meegaande takken, waaraan de bladen zitten, uit wier oksels weer takken komen. Aan de wortels, die uit de onderste stengelleden in den bodem dringen , is de taak opgedragen, om de plant vast te leggen, niet om haar voedsel te geven (dit neemt zij geheel door de bladen uit het omgevende water op). De drijvende bladen zitten, zoo zij aanwezig zijn, hoog aan den stengel en ontwikkelen zich eerst tegen dat de plant bloemen gaat vormen. Deze bloemen staan steeds boven water en scheiden in groefjes aan den voet der kroonbladen honig af. Zij zijn homogaam, zwak proterogynisch of zwak protrandrisch. Insecten, welke er heenvliegen , kunnen zoowel kruis- als zelfbestuiving bewerken, doch meest treedt ook spontane zelfbestuiving op, doordat de binnenste helmknopjes bij het opengaan zoo dicht bij de stampers staan, dat deze van stuifmeel voorzien worden.

De vruchten der Batrachiums drijven op het water en hechten zich aan ieder voorwerp, dat in water nat kan worden. Zij kunnen zoo medegevoerd en op andere plaatsen weer afgezet worden , waar zij ontkiemen.

Landvormen. Van verschillende soorten, b.v. van Batrachium trichophyllum, heterophyllum , hololeucum, Baudotii en confusum zijn zoog. landvormen, de fornia terrestre -) bekend. Deze landvormen zijn steeds eenjarig, in tegen-

') Van 'tgrieksche batrachos: kikvorsch, dus eigenlijk kikvorschkruid.

') op de aarde groeiend.

13*

Sluiten